H 9: Kantelpunten

Sommige mensen denken dat toekomstverkennen te vergelijken is met het voorspellen van de baan van een golfbal. Als je weet met welke snelheid en met welke hoek de bal is geslagen, kun je precies berekenen hoe de baan van de bal door de lucht zal zijn. Natuurlijk zal de golfbal nadat hij eenmaal op de grond is geland nog wel een aantal malen stuiteren en speelt ook de wind een rol en dat maakt het allemaal een stuk ingewikkelder, maar in principe is dit allemaal te berekenen.

Helaas is de werkelijkheid een stuk ingewikkelder. Toekomstverkennen valt beter te vergelijken met snookeren. De baan van de eerste bal is nog te berekenen. Maar die bal stoot dan tegen twee andere ballen, die weer tegen vier andere ballen stoten en dan weer tegen acht andere ballen, die weer allemaal tegen elkaar stoten enzovoort. Afhankelijk van die eerste botsing, kan de tweede botsing dus al meerdere kanten opgaan. En dat geldt dan ook weer voor de derde en de vierde botsing. En zo verder. Iedere botsing kun je beschrouwen als een tweesprong. Vanaf deze botsing – we noemen dit een kantelpunt – verloopt het proces anders.  Dit hoofdstuk gaat over die kantelpunten.

Meestal ontrolt de toekomst zich van dag tot dag wel ongeveer zoals verwacht en dan, opeens, gebeurt er iets onverwachts, met soms heel ingrijpende gevolgen. Denk maar recent aan de corona crisis, aan de Brexit, of aan het besluit om Nederland van het gas af te halen. Als ik dat alles 5 jaar terug had voorspeld, had je mij vast niet geloofd. Zulke gebeurtenissen gooien dan alle vrijwel zekere verwachtingen met betrekking tot de toekomst omver. Dat maakt ze ook zo gevaarlijk. Hoe kun je nu zulke onverwachte gebeurtenissen voorspellen?  

Geleidelijke veranderingen zijn meestal goed te voorspellen. Dat zagen we hiervoor bij de trends en de terugkerende patronen. Om plotselinge grote veranderingen te kunnen voorspellen, moeten we ons verdiepen in het systeemdenken. En dan zijn er twee typen gebeurtenissen die kunnen leiden tot plotselinge onverwachte veranderingen.

De meest voor de hand liggende en ook eenvoudigst te herkennen oorzaak van een grote verandering in een systeem (ook wel een systeemcrisis genoemd) is een externe schok, zoals hiervoor beschreven. Of er dan ook echt een systeemcrisis zal optreden is afhankelijk van de kracht van de externe schok en van de veerkracht van het systeem, resilience in het Engels. Een systeem bestaat uit onderdelen die elkaar niet alleen beïnvloeden maar die ook zorgen voor een zekere mate van stabiliteit en continuïteit. Ze zorgen er voor dat het systeem zichzelf in standhoudt. Ze doen dat door de krachten van buiten het systeem op te vangen. Dat gebeurt door interne schokbrekers binnen het systeem. Tegenkrachten die zo nodig de externe effecten compenseren of buffers die tijdelijke tekorten of overschotten kunnen opvangen. Samen bepalen die systeembuffers de veerkracht van het systeem.

Naast de duidelijk herkenbare externe schokken werken er ook langduriger aanhoudende krachten van buitenaf op een systeem in. De schokbrekers binnen het systeem zullen ook deze zwakke externe krachten op de een of andere manier moeten compenseren. Die krachten zitten ook achter de trends die we eerder zagen. Langzame veranderingen in de opvattingen over de man-vrouw verhoudingen bijvoorbeeld, of de geleidelijke digitalisering, urbanisering en globalisering van de wereld. Dit soort externe ontwikkelingen beïnvloeden de evenwichten die bestaan binnen het betreffende systeem. Het compenseren van zulke zwakke externe krachten leidt tot spanningen binnen het systeem. Het leidt tot onevenwichtigheden, bijvoorbeeld oplopende rentekosten, oplopende sociale spanningen of een dalend niveau in de waterstand. Ook die onevenwichtigheden zullen in eerste instantie door andere interne krachten worden gecompenseerd. Het afstoten van beleggingen, verhogen van de lonen en salarissen, of het slaan van diepere waterputten, om bij deze voorbeelden te blijven.

Op een gegeven moment echter kunnen de spanningen ook te hoog oplopen. De interne compensatie buffers raken uitgeput, compenserende maatregelen schieten tekort. Dat kan dan leiden tot wat we een systeemcrisis noemen. Het systeem raakt uit evenwicht en zoekt een nieuw evenwicht. De munteenheid wordt gedevalueerd, er komt een regeringswisseling al of niet na een volksopstand, bepaalde waterminnende soorten sterven uit. Zo’n systeemcrisis leerden we al eerder kennen als een kantelpunt binnen een systeem. Overigens kan een systeem in zeer extreme situaties ook uiteenvallen. Het houdt dan op een systeem te zijn. Het bedrijf gaat failliet, de vriendengroep valt uit elkaar, het bos sterft af.

Ook kleine graduele veranderingen kunnen dus – als ze maar lang genoeg aanhouden – leiden tot grote interne onevenwichtigheden binnen een systeem en die kunnen dan leiden tot een systeemcrisis, een plotseling kantel- of omslagpunt binnen zo’n systeem. Decennia van bodemdaling in Groningen bijvoorbeeld hebben nauwelijks maatschappelijke gevolgen gehad en dan opeens is er een omslagpunt bereikt in de publieke opinie en dan valt opeens het besluit dat heel Nederland van het gas afgaat.

Voor futurologen zit hier een bijzondere kant aan. Vaak zien we, en met ‘we  bedoel ik dan de publieke opinie of  de meerderheid van de betrokkenen, vooraf zo’n mega kantelpunt als iets onmogelijks, ongeloofwaardigs, soms zelfs als iets belachelijks. Het verrassende is dan dat we achteraf die gebeurtenis meestal wel weer zien als iets heel logisch. Meestal denken we achteraf dat we die gebeurtenis wel hadden zien aankomen, of zelfs hadden voorspeld, terwijl we in werkelijkheid vooraf zo’n gebeurtenis toch echt als volkomen ongeloofwaardig beschouwden. Bij gebrek aan een betere term noem ik dit daarom kantelende normaliteit.

Waarom komt zo’n kantelpunt dan meestal als een verrassing? Daar zijn verschillende redenen voor aan te geven, die terug te voeren zijn tot de denkfouten die we in H1 al leerden kennen. Bijvoorbeeld de gewenning aan geleidelijke veranderingen. Het bekende ‘kikker in de kookpot’ effect. We raken bijvoorbeeld gewend aan de extreme geldschepping door de ECB of het smelten van een gletsjer. We noemen dit ook wel glijdende of kruipende normaliteit in tegenstelling tot kantelende normaliteit. Het heeft ook te maken met cognitieve dissonantie. We willen vaak gewoon niet zien dat de wereld aan het veranderen is. Vooral in situaties dat er belangen meespelen, willen velen vasthouden aan de oude zekerheden. Dit speelt vooral bij grotere institutionele spanningen. De oude instituties lijken zich vaak te verzetten tegen verandering. Denk nog maar eens aan H1a Kodak als uitvinder van de digitale camera, die daar 30 jaar later zelf aan failliet is gegaan. De conclusie is in ieder geval dat meestal maar weinig mensen die abrupte verandering zien aankomen.

Als je maar lang genoeg wacht, zullen langlopende trends dus leiden tot grote plotselinge veranderingen in systemen. Dat maakt het doen van voorspellingen alleen op basis van trends dan ook zo gevaarlijk. Trends kun je niet rechtlijnig doortrekken. Trends roepen altijd tegentrends op, trends kunnen elkaar versterken, er kunnen domino-effecten optreden of kettingreacties. De globalisering bijvoorbeeld lijkt al sinds 2012 over zijn hoogtepunt heen te zijn en dit zou zich door populisme en corona nog veel sneller neerwaarts kunnen gaan bewegen. Zonnepanelen als een ander voorbeeld werden goedkoper toen er meer van werden geproduceerd. En toen ze in prijs daalden, werden er weer meer van verkocht en zo is er een opwaartse spiraal ontstaan.

Als je je echter bewust bent van de hiervoor (en eerder in H7) beschreven gevaren van voorspellen op basis van trends, en ze voorzichtig genoeg gebruikt, is trendanalyse een uiterst nuttig hulpmiddel om een beeld te krijgen van de mogelijke en waarschijnlijke toekomsten. Daarvoor selecteer je allerleerst de voor jouw onderzoeksvraag meest relevante trends. Willen we voorspellen wat er zal gebeuren met de winkel om de hoek, de witgoed branche, de complete retail, de conjunctuur in Nederland, in de EU, of zelfs mondiaal? Vervolgens kun je de mogelijke gevolgen van deze zichtbaar maken. Dat lijkt wellicht simpel, maar binnen staande organisaties ontwikkelen de medewerkers vaak een soort bedrijfsblindheid voor kleine graduele veranderingen. Denk nog maar eens aan het genoemde ‘Kodak effect’.

Wil je nu een systeemverandering voorspellen dan is het belangrijk te letten op de plaatsten in het systeem waar zich langere tijd onevenwichtigheden opbouwen. Dit doe je door te letten op de kantelpunten en op de ‘weak-signals’, ofwel ‘zwakke signalen’. Kantelpunten zijn die plaatsten in systemen waar een kleine duw in een bepaalde richting kan leiden tot een grote verandering in de ene of de andere richting. We noemen deze kantelpunten daarom ook wel bifurcaties. Denk aan de druppel die de emmer kan doen overlopen. Vanaf dat moment is er sprake van een onomkeerbare gebeurtenis die leidt tot een nieuw evenwicht binnen dat systeem. Kantelpunten zou je dus ook kunnen zien als ‘interne schokken’ binnen een systeem, in tegenstelling tot de eerder beschreven externe schokken.

Zwakke signalen zijn voorboden van een verandering die in eerste instantie nog onder de oppervlakte blijven, maar die een mogelijke indicatie zijn van komende systeemveranderingen. Om het nu nog ingewikkelder te maken, moeten we ons realiseren dat de sociale werkelijkheid bestaat uit een grote verzameling systemen met subsystemen. En nu komt het ingewikkelde. Ook grote veranderingen beginnen altijd als kleine veranderingen. Dus interne schokken binnen kleinere subsystemen. De dochter van familie A wil geen vlees meer eten. Familie A beslist voortaan vegetariër te worden. De vrienden van familie worden aangestoken door dit voorbeeld. De slager op de hoek bemerkt teruglopende klandizie. De grote worstfabrikant sluit een productielijn en bouwt één van haar fabrieken om tot vegaburger fabriek. De slager op de hoek sluit de deuren. De Nederlandse regering besluit de subsidie op de vleesproductie te verminderen. En uiteindelijk komen we wellicht uit bij de EU, die nu Nederland niet langer dwars ligt, besluit ook de Europese steun aan de varkenssector af te bouwen.

Dus ook dit soort grote kantelingen begint altijd klein. Altijd zijn er in subsystemen al eerdere kantelingen en doorbraken te vinden. Maar meestal blijven deze nog lang onder de radar. Dat is gevaarlijk want we hebben het hier over een verraderlijke vorm van hier-en-nu-bijziendheid. Deze vorm is daarom zo verraderlijk, omdat ze uiteindelijk een grote maatschappelijke impact kunnen krijgen waarmee niemand rekening hield. Het gaat dan dus om grote veranderingen die iedereen, nou ja, vrijwel iedereen, voor onmogelijk houdt  en die dan opeens toch plaatsvinden. Het einde van het apartheidsregime in Zuid Afrika, of de val van de muur ten tijde van het communistische Oostblok en zo kan ik nog een tijdje doorgaan. Van tijd tot tijd worden wij  dus verrast door gebeurtenissen die wij tot dat moment voor onmogelijk hadden gehouden. Politieke omwentelingen, sociale veranderingen, of andere maatschappelijke doorbraken. Wij vonden ook homoseksualiteit vroeger abnormaal, totdat na jarenlange druk, niet alleen vanuit de homobeweging, de publieke opinie kantelde. Wij dachten dat het apartheidsregime ondanks alle protesten en internationale boycots stevig in het zadel zat, totdat opeens Mandela werd vrijgelaten. Het verraderlijke is dan vaak niet alleen dat die gebeurtenis ons overvalt – de kantelende normaliteit – maar ook dat zelfs de voorstanders er niet meer op durfden te hopen. Verzet tegen het apartheidsregime, tegen de communistische dictators, tegen discriminatie van homo’s, of tegen de onderdrukking van vrouwen leek lang zinloos. En toen opeens gebeurde het toch.

Hoe kun je je nu wapenen tegen kantelende normaliteit? Allereerst helpt natuurlijk het besef dat dit verschijnsel bestaat. Alleen al het beseffen van de eigen blindheid op dit punt, helpt om de blik te verruimen. We komen hierbij weer op het terrein van de denkfouten uit H 1. Futurologen hebben daarnaast ook nog een aantal specifieke instrumenten ontwikkeld.

Om te beginnen de ‘zwarten zwanen’; de gebeurtenissen waarvan iedereen denkt dat ze niet kunnen gebeuren, maar die als ze dan toch gebeuren een enorme impact hebben. Een gigantische komeetinslag, of enorme beurscrash bijvoorbeeld. Dit zijn de externe schokken uit de vorige les, die vaak leiden tot een systeem crisis.

Maar er zijn ook ‘zwarte kwallen’. Zo’n zwarte kwal is een gebeurtenis die onschuldig begint, maar uiteindelijk vreselijke lange tentakels heeft en een vervelende of zelfs giftige steek. Zwarte kwallen zijn verschijnselen die zich exponentieel, dus met een positieve feedback lus, ontwikkelen. Ze ontlenen hun naam aan de kwallen op zee, die zich tot een echte kwallenplaag kunnen ontwikkelen en dan (bijvoorbeeld) de waterinlaat van een kerncentrale kunnen blokkeren. (Dit is ook echt gebeurt, vandaar de naam). Het gaat dus om een op het eerste oog kleine gebeurtenis die uiteindelijk in een enorme catastrofe uitmondt. De corona crisis was zo’n recente zwarte kwal want ontwikkelde zich ook exponentieel.

Nu we het toch over de coronacrisis hebben, veel mensen zagen dit als een zwarte zwaan. Iets waar niemand op had gerekend. Maar vele deskundigen hadden deze crisis wel al zien aankomen. Elke serieuze futuroloog had zo’n pandemie natuurlijk al jaren op zijn of haar lijstje te verwachten gebeurtenissen staan.

Futurologen spraken daarom onderling over de corona crisis ook wel als een zwarte olifant. De olifant in de kamer, die de beleidsmakers liever niet wilden zien. Jammer overigens want dit heeft ons veel ellende bezorgd.

En zo hebben futurologen nog veel meer dieren. De beroemde vlinder van Lorentz uit de chaostheorie, de ‘red herring’ en natuurlijk ook de struisvogel. Bij horizonscans is er altijd veel aandacht voor dit soort indicatoren. Want juist die plotselinge systeemveranderingen zijn gevaarlijk. Zij gooien alle waarschijnlijke toekomstverwachtingen omver. En dan zijn we meestal in de aap gelogeerd.

les 38: van tijd tot tijd vinden er gebeurtenissen plaats die iedereen vooraf voor onmogelijk houdt en die men achteraf eigenlijk weer heel logisch vindt. Dit verschijnsel noemen wij kantelende normaliteit.

les 39: glijdende of kruipende normaliteit (de kikker in de kookpot) is het tegenovergestelde. iets verandert zo langzaam dat we het niet bewust waarnemen.

les 40 : gebeurtenissen waarvan iedereen denkt dat ze niet kunnen gebeuren, maar die als ze dan toch gebeuren een enorme impact hebben, noemt men wel ‘zwarte zwanen’.

les 41: verschijnselen die onschuldig beginnen, die zich daarna exponentieel ontwikkelen en die uiteindelijk hele nare effecten hebben noemt men wel ‘zwarte kwallen’.

les 42: verschijnselen die we niet zien, omdat we ze niet willen zien noemt men wel ‘zwarte olifanten’

les 43: in elk systeem zijn zwakke signalen van verandering te ontdekken

les 44: in elk systeem zijn kantelpunten te ontdekken, kantelpunten kun je beschouwen als interne schokken.

© Peter van der Wel (12018/12020)