H14: maatschappelijke wetmatigheden

Bijna alle economische, politieke en sociale verandering blijkt uiteindelijk terug te voeren tot technologische ontwikkeling. En die technologische ontwikkeling gaat steeds sneller. De sociale en maatschappelijke ontwikkelingen volgen daar dan op in een wetmatige volgtijdelijke fasering. Dat heeft te maken met vertragingen tussen de verschillende fasen van de maatschappelijke introductie van nieuwe technologie. Maatschappelijke innovatie doorloopt namelijk altijd een aantal dezelfde stappen.

We beginnen dan bij het begin: een nieuwe technische ontdekking of uitvinding. Dat noem ik nu maar even fase 1, maar je zou het ook de ontdekkignsfase, de wetenschappelijke fase of de uitvindingsfase kunnen noemen. Iemand bedenkt bijvoorbeeld een manier waardoor een elektromagenetische puls op ook grote afstand kan worden afgelezen.

 Vervolgens ontdekt iemand anders dat zo’n nieuwe techniek ook op een nuttige manier kan worden toegepast. Iemand ontdekt bijvoorbeeld dat je een telegraaf kunt gebruiken om beurskoersen door te geven. Of iemand bedenkt dat je via computers ook e-mail kunt versturen. Dit is stap 2, de fase van de toepassingen. Tussen die twee fasen zit meestal een behoorlijke periode, vaak vele tientallen jaren.

Dan volgt stap drie, de introductiefase. De gebruikers moeten leren (en bereid zijn) om met die nieuwe toepassingen te werken. Dat vraagt vaak om nieuwe kennis en vaardigheden. In deze fase spelen allerlei weerstanden. Professionele weerstand van de deskundigen:  “Iedereen weet toch dat dit onmogelijk is!” of “we hebben het altijd zo gedaan, waarom moet dat anders?”  En natuurlijk ook commerciele belangen en financiele belangen. Angst voort verlies van marktaandeel, of gewoon de pijn om investeringen die soms net zijn gedaan weer af te moeten schrijven. Een recent voorbeeld zagen we bij de introductie van de glasvezelkabel. Ondanks aantoonbare technische en maatschappelijke voordelen van de glasvezeltechnologie boven de oude koperkabels, wisten (en weten) de bestaande kabelaanbieders te introductie van glasvezel op allerlei manieren te vertragen. Tot slot spelen hier ook allerlei gewone menselijke zwakheden zoals luiheid, gemakzucht, angst, eigen belang, etc.  Kortom in deze fase moet de nieuwe toepassing zich bewijzen.

Aan de gebruikerskant speelt hier wat men wel de Wet van Gewin, Gemak en Genot noemt. Dit is dan:

Les 50: Nieuwe technologie wordt vooral gebruikt om te doen wat we altijd al deden, maar vooral als het daardoor sneller, gemakkelijker of goedkoper wordt.

Nieuwe technologie wordt dus vooral snel geaccepteert als het niet meteen om nieuw gedrag vraagt maar wel meteen al een voordeel biedt. Dat verklaart bijvoorbeeld een deel van het snelle succes van de mobiele telefoon. Bellen met je mobieltje lijkt toch wel erg op bellen met de vaste telefoon.

Dit betekent ook dat het gedrag van mensen in eerste instantie niet verandert door nieuwe technologie. In eerste instantie lijkt het dan nog op bestaand gedrag. Hier zit ook een zekere wetmatigheid achter. Nieuwe technologie verandert de aard van de menselijke behoeften niet. We blijven liefhebben, eten, reizen, kletsen, lezen, sporten, werken en zo verder. Alleen de manier waarop we dat doen, verandert door nieuwe technologie geleidelijk aan wel.

Nieuwe technologie biedt wel vaak mogelijkheden die er eerst niet waren. Dankzij of door de mobiele telefoon veranderen zo wel geleidelijk aan sociale omgangsvormen. Afspraken plan je tegenwoordig dankzij de mobiele telefoon heel anders. Onderweg kondig je je komst van te voren aan en je meldt het als je meer dan vijf minuten te laat bent.  De mobiele telefoon is een ‘social device’ geworden waarmee we ons sociale netwerk bijhouden en monitoren. De mobiele telefoon sluit dus uitstekend aan bij bestaand menselijk gedrag en vervult een duidelijke sociale behoefte.

Na stap drie, de fase waarin mensen nieuwe technologieën al of niet oppakken, volgt dan pas de vierde fase. Dit is de fase waarin de culturele normen en waarden en de instituties, de organisaties, de wetten en de regels zich gaan aanpassen. Hier gaan de veranderingen niet alleen het laatst maar meestal ook het traagst. Wetten en regels moeten worden aangepast en lopen net als normen en waarden altijd achter de ontwikkelingen aan. In de praktijk blijkt de bestaande wet- en regelgeving voortdurend nieuwe ontwikkelingen te belemmeren of zelfs te blokkeren. Denk bijvoorbeeld aan de sterk verouderde bekostigings- en subsidiesystemen in het onderwijs, in de gezondheidszorg of in de energiesector. Dat levert allerlei kunstmatige schotten en perverse financiële prikkels op. Die zijn vaak niet eenvoudig te doorbreken omdat er altijd wel belangengroepen zijn die er hun uiterste best voor doen om de voor hen zo voordelige oude situatie te laten voortbestaan.

Ontdekkingen en uitvindingen

Toepassingen

Gewin, gemak genot

Wet en regelgeving, normen

Dit vier-fasen-model maakt duidelijk waarom de maatschappelijk gevolgen van nieuwe technologie, die begonnen met een uitvinding pas veel later worden vertaald in sociale veranderingen. Vooral toepassingen die aansluiten bij bestaand gedrag en die vallen onder de noemer, gemak, gewin, genot blijken succesvol. Vervolgens blijven de ‘oude’ instituties met hun gevestigde macht, maar ook de regels en wetten en de onderliggende normen en waarden zich nog een tijd lang “verzetten” tegen de veranderingen. Nieuwe technologie is dus vooral succesvol als het aansluit bij bestaand gedrag, voordelen biedt en niet botst met de belangen van deskundigen of machtshebbers, of met het heersende wereldbeeld.

Dit verklaart waarom we vaak geneigd zijn de snelheid van de sociale ontwikkelingen te overschatten.Die sociale gevolgen zijn er echter wel degelijk en zelfs ons hele wereldbeeld en onze hele maatschappijinrichting verandert langzaam maar zeker als gevolg van nieuw ontdekte wetenschappelijke kennis. Maar dat proces duurt doorgaans langer dan we meestal verwachten en dat brengt ons bij:

Les 51: We onderschatten systematisch het tempo van de technische ontwikkeling en we overschatten systematisch het tempo en de omvang van de bijbehorende sociale veranderingen.

Peter van der Wel (12002/20)