(leestijd 5 min)
Een zonnepaneel op je dak kost geld. Maar de stroom die het daarna levert, kost niets meer. In economen taal: de marginale kosten van de geleverde elektriciteit zijn dan gelijk aan nul. Wat als datzelfde principe, eenmalig investeren, daarna (bijna) gratis productie, zich uitbreidt naar alles wat we maken?
Technologische ontwikkeling heeft in economisch opzicht twee effecten. Ten eerste stelt het ons in staat om dingen te doen die tot die tijd onmogelijk waren. Gesprekken voeren over langere afstanden, openhartoperaties, naar de maan reizen. Het maakt dus nieuwe mogelijkheden beschikbaar. Dat is het eerste effect. Het tweede effect is dat het bestaande productieprocessen goedkoper maakt. We kunnen dankzij technologische vondsten meer doen met minder of goedkopere grondstoffen, met minder arbeid of minder energie.
Van kostenreductie naar prijsdaling
In dit artikel wil ik de economische gevolgen onderzoeken van dit tweede effect. Ik veronderstel daarbij dat door de technologische ontwikkeling niet alleen de kosten maar uiteindelijk ook de prijzen zullen gaan dalen. We komen dan in een wereld waarin de prijzen bewegen in de richting van nul.
De overgang naar zo’n wereld begint met een geleidelijke kostendaling. In eerste instantie verandert er ogenschijnlijk weinig. Hernieuwbare energie wordt goedkoper, automatisering efficiënter, digitale productie is al bijna kosteloos. Bedrijven merken dat hun kosten dalen, soms langzaam, soms sneller. Concurrentie dwingt hen dan om een deel van die kostenreductie door te geven in lagere prijzen. Dat gebeurt sector voor sector. Elektronica, dataopslag, software en energie laten nu al zien hoe prijsdruk structureel kan zijn zonder dat daar een crisis aan voorafgaat. Het is geen instorting, maar een stille deflatie.
De inhaalbeweging van mondiale vraag
Die dalende kosten leiden in eerste instantie niet alleen tot dalende prijzen, maar ook tot een uitbreiding van de productie. Wanneer producten goedkoper worden, komen producten die eerst voor heel veel mensen nog financieel buiten bereik lagen wel betaalbaar. In economen taal: de latente vraag wordt effectief. Miljarden mensen die tot dan toe geen toegang hadden tot betrouwbare energie, degelijke huisvesting, infrastructuur of digitale diensten, krijgen die mogelijkheid nu wel. De productiecapaciteit wordt in deze fase uitgebreid en ingezet voor een inhaalvraag. Mondiale armoede vermindert, infrastructuur wordt vernieuwd en productiemiddelen worden ingezet om achterstanden weg te werken.
De economie van natuurherstel
Er is waarschijnlijk nog een tweede soort achterstand die zal worden weggewerkt. Wanneer energie en arbeid goedkoper worden, wordt ook natuurherstel betaalbaarder. Bossen kunnen worden hersteld, wetlands opnieuw aangelegd, bodems geregenereerd. Productiecapaciteit wordt dus niet alleen ingezet om meer te produceren, maar ook om schade uit het verleden te repareren. In deze periode blijven de kosten dalen en groeit de reële productie sterk, maar leidt dit nog niet tot nog extreme deflatie.
Het verdwijnen van de loon-prijsspiraal
Naarmate artificiële arbeid (robotisering en AI) zich verder verspreidt, verandert de prijsstructuur steeds verder. Lonen, die historisch de grootste kostencomponent vormden, verdwijnen geleidelijk steeds meer uit de kostprijs van veel goederen en diensten. De loon-prijsspiraal verliest zijn betekenis. Producten bevatten steeds minder menselijke arbeid. Daarmee verdwijnt een belangrijke bron van inflatie. Wat resteert zijn de kosten van energie, materiaal en kapitaal en die blijven dalen door de voortgaande technologische ontwikkeling.
Overcapaciteit en verzadiging
Wanneer de grootste latente behoeften zijn vervuld en de productie-infrastructuur op peil is, ontstaat er mogelijk overcapaciteit. De productie groeit dan sneller dan de fundamentele vraag. Mensen zijn voorzien in hun basisbehoeften, ecosystemen zijn hersteld en worden duurzaam beheerd, en verdere consumptiegroei is meer een kwestie van luxe dan van noodzaak.
In die situatie verandert de aard van concurrentie. Producenten concurreren niet meer om onvervulde basisbehoeften, maar om marginale variaties in smaak en comfort.
De structurele beweging naar nul
Hier begint de echte prijsdruk. Wanneer capaciteit ruimer is dan de vraag en toetreding eenvoudig blijft, zou elke aanbieder (ook een nieuwe) met een minimale prijsverlaging een groot deel van de markt naar zich toe kunnen trekken. In deze situatie beweegt de prijs richting de marginale kosten. En als die marginale kosten bijna nul zijn, beweegt de prijs mee naar beneden.
Dat gebeurt niet van de ene dag op de andere, maar is een structureel werkende kracht. Eerst in gestandaardiseerde goederen, daarna in complexere producten en uiteindelijk ook in diensten die grotendeels geautomatiseerd zijn.
Van economische naar culturele nulprijs
Hierdoor verandert ook het verwachtingspatroon van consumenten. Als men gewend raakt aan gratis software, bijna gratis energie en extreem lage productprijzen, wordt het steeds moeilijker om voor goederen nog een substantiële prijs te vragen. Wat technisch goedkoop is geworden, wordt dan ook cultureel als “bijna gratis” beschouwd. De prijs wordt niet alleen economisch ondermijnd, maar ook normatief.
Wat blijft er over van de prijs?
Aan het einde van dit proces verdwijnt de prijs niet volledig uit de samenleving, maar verliest hij zijn dominante rol in de massaproductie. Wat waarschijnlijk overblijft zijn tijdelijke congesties, luxere varianten, unieke locaties of exclusieve menselijke ervaringen. Maar voor de bulk van de materiële goederen geldt dan dat de prijs de marginale kosten volgt. En als die marginale kosten nagenoeg nul zijn, nadert ook die prijs de nul.
Wil je weten wat dit concreet gaat betekenen voor je energierekening? → Wat betalen we straks voor een kWh?
Nulprijzen als eindpunt, niet als begin
De weg naar nulprijzen is geen plotselinge sprong in een wereld van overaanbod, maar een lange golfbeweging. Eerst dalen de productiekosten. Daarna wordt de latente vraag vervuld. Vervolgens worden achterstanden ingehaald en ecosystemen hersteld. Pas wanneer die fase is doorlopen en productiecapaciteit structureel ruimer is dan de fundamentele behoefte, komt de volledige prijsconcurrentie tot uitdrukking.
Maar wie merkt dit als eerste? Niet de econoom, niet de beleidsmaker — maar de magazijnmedewerker die op een ochtend hoort dat zijn dienst wordt overgenomen. Volgende artikel: hoe artificiële arbeid eruitziet van dichtbij, en wat dat betekent voor wie nu nog werkt.
Lees hier meer over de economie van overvloed
- Waarom we rijker worden en ons toch armer voelen
- Hoe technologische ontwikkeling leidt tot kostendalingen
- Wat gebeurt er als technologie alles goedkoper maakt? (hier ben je nu)
- Wat betaal je straks voor 1 uur arbeid?
- Wat betalen we straks voor een kWh?
- Van Marx naar overvloed: de economische theorie moet opnieuw worden uitgevonden
- Het einde van het klassieke onderscheid tussen arbeid en kapitaal
- Institutionele frictie: technologische vooruitgang en institutionele weerstand
- De Economie van Overvloed — het volledige essay
- Van schaarste naar welvaart voor iedereen
Peter van der Wel (12026)
PS: Vanuit mijn achtergrond als econoom en toekomstonderzoeker kijk ik naar technische ontwikkelingen in een bredere maatschappelijke context. Vandaar deze economisch-politieke beschouwing over de toekomst van ons economisch systeem.
Dit artikel verscheen eerder in het februarinummer van Civis Mundi.
Ben je het eens met de boodschap van deze blog? Post hem op de socials en/of stuur hem door naar een collega of vriend waarvan je denkt dat ze hem ook interessant zullen vinden! Kreeg je ’m zelf doorgestuurd? Abonneer je hier gratis op nieuwe blogs.
PPS: Reacties zijn welkom. Je kunt ze mailen naar mijn mailadres.
