Samenvatting
Technologische vooruitgang in energie, digitalisering en automatisering verlaagt structureel de marginale kosten van productie. Toch vertaalt deze toenemende overvloed zich niet vanzelf in bredere welvaart of bestaanszekerheid. Dit artikel betoogt dat de verklaring ligt in institutionele frictie: economische instituties zijn ontworpen voor een wereld van schaarste, terwijl de productietechnologie zich richting overvloed beweegt. In lijn met inzichten uit de endogene groeitheorie, institutionele economie en politieke economie wordt geconcludeerd dat niet technologie, maar institutionele herijking de bepalende factor zal zijn voor toekomstige welvaartsverdeling.
1. De paradox van overvloed
In vrijwel alle sectoren dalen de productiekosten door technologische vooruitgang. Hernieuwbare energie kent marginale kosten die richting nul bewegen; digitale goederen zijn vrijwel kosteloos reproduceerbaar; automatisering verlaagt arbeidskosten. Toch ervaren veel huishoudens toenemende onzekerheid over inkomen, werk en toegang tot voorzieningen.
Deze paradox – groeiende productiecapaciteit gecombineerd met ervaren schaarste – suggereert dat economische problemen zich verplaatsen van de productiesfeer naar de institutionele sfeer. De vraag is niet langer primair hoe we méér produceren, maar hoe we productie, toegang en inkomensverdeling organiseren.
2. Technologische dynamiek en dalende marginale kosten
De endogene groeitheorie, zoals ontwikkeld door Paul Romer, benadrukt dat kennis een niet-rivaliserend goed is: gebruik door de één beperkt het gebruik door de ander niet. Digitale technologie vergroot deze eigenschap drastisch. Software, algoritmen en data kunnen tegen vrijwel nul marginale kosten worden gereproduceerd.
De econoom Joel Mokyr wijst op het belang van kennisaccumulatie als motor van langdurige groei. Wat nu nieuw is, is de schaal en snelheid waarmee kennis zich nu verspreidt.
Daarnaast vermindert automatisering de bijdrage van menselijke arbeid in productieprocessen. Waar arbeid traditioneel een schaarse productiefactor was, ontstaat een situatie waarin kapitaal- en technologie-intensieve systemen steeds meer taken overnemen. Dit heeft directe implicaties voor loonvorming en inkomensverdeling.
3. Institutionele traagheid
Hoewel de productietechnologie verandert, blijven instituties grotendeels gebaseerd op schaarstedenken.
Volgens Ronald Coase bestaan instituties en bedrijven om transactiekosten te verlagen. Digitale technologie verlaagt echter juist die transactiekosten drastisch. Toch blijven juridische en organisatorische structuren vaak ongewijzigd.
Daron Acemoglu en James A. Robinson benadrukken in hun werk het belang van inclusieve versus extractieve instituties. Wanneer technologische vooruitgang plaatsvindt binnen instituties die concentratie van economische macht bevorderen, leidt overvloed niet tot brede welvaart, maar tot ongelijkheidsvergroting.
De huidige economische orde vertoont kenmerken van wat men institutionele “lock-in” kan noemen: eigendomsrechten, arbeidsmarktstructuren en fiscale systemen zijn afgestemd op een industriële economie waarin arbeid de dominante productiefactor was.
4. Nieuwe schaarste: toegang en macht
In een wereld van toenemende overvloed verschuift schaarste van materiële goederen naar toegang en coördinatie. Digitale platforms creëren netwerkeffecten die marktmacht concentreren. De economische waarde ligt minder in fysieke productie en meer in controle over infrastructuur, data en standaarden.
Hier zien we een verschuiving van klassieke productieschaarste naar institutionele schaarste: wie toegang heeft tot netwerken, algoritmen of kapitaal, bepaalt de verdeling van opbrengsten. De marktvorm verandert, maar de concentratie van economische macht kan toenemen.
5. Arbeid, inkomen en ontkoppeling
Wanneer technologie arbeid vervangt of aanvult tegen dalende kosten, komt de traditionele koppeling tussen arbeid en inkomen onder druk te staan. Historisch leidde productiviteitsgroei tot hogere lonen. Maar bij kapitaalintensieve technologieën vloeit een steeds groter deel van de opbrengst naar kapitaalbezitters.
De centrale beleidsvraag wordt daarmee: hoe organiseren we inkomenszekerheid in een economie waarin menselijke arbeid relatief minder belangrijk wordt?
Het zoeken is naar institutionele innovaties, variërend van herverdelingsmechanismen tot nieuwe vormen van collectief eigenaarschap van productieve infrastructuur.
6. Historische analogie
De overgang van agrarische naar industriële samenlevingen ging gepaard met fundamentele institutionele hervormingen: arbeidsrecht, sociale zekerheid en publieke infrastructuur. Zonder deze hervormingen zou de industriële productiviteitsgroei niet hebben geleid tot brede welvaartsstijging.
Vandaag bevinden we ons mogelijk in een vergelijkbare overgangsfase. Technologische overvloed vereist een institutioneel kader dat toegang organiseert in plaats van uitsluitend productie stimuleert.
Conclusie
De kern van de economische uitdaging verschuift van productie naar organisatie. Technologie creëert overvloedige mogelijkheden; instituties bepalen wie daarvan profiteert.
Indien instituties zich niet aanpassen, zal overvloed gepaard gaan met groeiende ongelijkheid en ervaren schaarste. Indien instituties wel meebewegen, kan technologische overvloed zich vertalen in brede welvaart.
De economie van de eenentwintigste eeuw vraagt daarom minder om technologische versnelling – die is reeds gaande – en meer om institutionele vernieuwing.
Literatuur
Acemoglu, D., & Robinson, J. A. (2012). Why Nations Fail.
Coase, R. (1937). The Nature of the Firm.
Mokyr, J. (2002). The Gifts of Athena.
Romer, P. (1990). Endogenous Technological Change, Journal of Political Economy.
