Alles op een rij

We hebben nu kennis gemaakt met een aantal belangrijke inzichten en instrumenten van de futurologie. In dit laatste blok is het tijd om deze eens in een kader te plaatsen. Wat is de grote lijn hierachter, hoe werken deze samen?

We zijn begonnen in blok 1 met de denkfouten. Het grootste probleem bij het verkennen van de toekomst zit in ons eigen hoofd. We hebben allemaal voortdurend last van denkfouten, verkeerde beelden van de toekomst, verkeerde inschattingen, onjuiste of selectieve waarneming, blinde vlekken en vooroordelen. We zagen bijvoorbeeld dat we anders omgaan met slecht nieuws dan met goed nieuws. Goed nieuws is geen nieuws. Bij slecht nieuws zien we vaak het bekende ‘kop in het zand steken’, of we zien juist een overmatig reageren op een mogelijk negatieve ontwikkeling.

We maakten daar ook kennis met het verschijnsel: Hier-en-nu-bijziendheid. Het overschatten van alles wat vlakbij ligt (in plaats en tijd) en het onderschatten van alles wat verder weg ligt. We kwamen daar ook het achteruitkijkspiegel effect tegen. Beelden uit het verleden bepalen ons beeld van de toekomst. Of zoals de bekende filosoof Heidegger dat formuleerde: “We rijden achteruit kijkend de toekomst in”. 

We kwamen deze – en andere – denkfouten door de hele cursus heen tegen. In blok twee – De toekomst is meervoud – hebben we kennis gemaakt met het feit dat er niet één toekomst bestaat maar meerdere mogelijke toekomsten. We hebben daar onder meer kennis gemaakt met de waarschijnlijke toekomsten, de (on)wenselijke toekomsten en de onwaarschijnlijke toekomsten.  Deze laatste worden ook wel de belachelijke toekomsten genoemd, omdat we meestal op voorhand geneigd zijn te denken dat deze toekomst er toch niet zal komen. Later kwamen we dat tegen als het verschijnsel kantelende normaliteit. Voortdurend gebeuren er zaken waarvan bijna iedereen vooraf zegt; “Dat kan niet, dat is belachelijk, dat is onmogelijk” en waarvan als ze eenmaal toch zijn gebeurd, iedereen dan weer zegt; “Ja, dat is toch eigenlijk heel logisch”. Vandaar de naam kantelende normaliteit. We zagen daar ook bekende voorbeelden van, zoals de val van de muur, de bankencrisis van 2007-2008, de verkiezing van Trump, de coronacrisis en de Russische inval in Oekraïne.

In blok twee maakten we ook kennis met vier typen toekomstbeelden of verhalen van de toekomst. De droom toekomst, de doem toekomst, de waarschijnlijke toekomst en de wildcard toekomst. De type I, II en III komen nooit of heel zelden uit. Het type IV-toekomstbeeld, de onwaarschijnlijke toekomst, juist wel. Alleen zijn er zeer veel onwaarschijnlijke toekomsten mogelijk en weet je nooit op voorhand welke dan wel of niet zal uitkomen.

Dat bracht ons bij blok drie: systeemdenken. Denken in systemen is misschien wel de belangrijkste             vaardigheid van de futuroloog.

Denken in systemen helpt ons gebeurtenissen in perspectief en context waar te nemen. Het behoedt je voor de waan van de dag en het laat je zien welke krachten er spelen in de sociale werkelijkheid die wij proberen te onderzoeken. We zagen daar ook, dat er heel veel verschillende systemen en sub-sub-systemen zijn die allemaal met elkaar samenhangen en die elkaar voortdurend wederzijds beïnvloeden.

Het laat je ook zien dat zaken nooit zomaar gebeuren. Voortdurend werken er allerlei invloeden op elkaar in. Denken in systemen maakt het mogelijk beter te anticiperen op mogelijke gebeurtenissen. Het leert ons zien dat alles meestal meerdere oorzaken heeft en ook weer meerdere gevolgen met zich meebrengt. De meeste gebeurtenissen in de wereld, in de politiek, in de economie, in het onderwijs, in de gezondheidszorg of in het bedrijfsleven zijn niet eenvoudig te verklaren uit één of enkele oorzaken. In een systeem kunnen kleine oorzaken soms ook hele grote gevolgen hebben. Het zogenaamde vlindereffect. In een systeem gebeuren ook voortdurend allerlei contra-intuïtieve zaken. Kortom, simpele mechanistische verklaringen schieten tekort.

In blok 4: ‘continuïteit in systemen’ zagen we dat systemen zichzelf in stand houden. Dat er vooral sprake is van continuïteit, doordat heel veel zaken in het systeem niet zo veranderlijk zijn. Denk aan de natuurwetten, de wetten van de economie, de aard van de mens, de cultuur en ook de instituties. Met dat laatste bedoelen we de manier waarop wij de zaken hebben georganiseerd in bijvoorbeeld de gezondheidszorg, de rechtspraak, de democratie, en de wet- en regelgeving rondom het bedrijfsleven. Het lijkt soms wel alsof alles voortdurend verandert, maar het meeste blijft hetzelfde. In systemen overheerst geleidelijkheid en continuïteit.

Wat verandert er dan wel in systemen? In blok 5 zagen we nog een belangrijk instrument van de futuroloog: de trends. Trends zijn langer lopende ontwikkelingen binnen een systeem in een bepaalde richting. Bijvoorbeeld de ontwikkeling naar warmere zomers, meer gelijke rechten voor de vrouw, of meer robotisering. Trends kunnen je helpen om op toekomstige gebeurtenissen te anticiperen en zijn dus een belangrijk hulpmiddel voor de futuroloog. Maar helaas kunnen trends ook omslaan, er komen trendbreuken en tegentrends. Het eenvoudigweg doortrekken en extrapoleren van trends is dus gevaarlijk. Om trends goed te kunnen beoordelen is daarom ook kennis nodig van de krachten achter en onder de trends, de zogenaamde domeinkennis en systeemkennis. Wie alleen maar trends bestudeert, volgt als het ware de losse draden in het systeem, terwijl het hele weefsel van belang is.

Dat bracht ons in blok 6 bij de vraag: hoe ver kun je nu eigenlijk betrouwbaar en met enige zekerheid vooruitkijken? We hebben daarvoor de toekomst verdeeld in 4 periodes of tijdvakken. In periode I, die loopt tot ongeveer een jaar vooruit, zijn meestal redelijk betrouwbare voorspellingen te doen omdat er dan meestal nog niet zo heel veel zal zijn veranderd. We noemen deze periode daarom ook wel ‘het verlengde nu’. We spreken hier van “meestal niet zo veel veranderd”, want soms zijn er toch ook binnen zo’n kort tijdsbestek van die totaal onverwachte gebeurtenissen, die alles op zijn kop zetten en de toekomst anders maken. Dat is ook het gevaarlijke van toekomstvoorspellingen. Het grootste deel van de tijd zijn die redelijk tot goed betrouwbaar, maar juist als er veel verandert en je ze het hardste nodig hebt, zijn ze het minst betrouwbaar. 

Na periode I komen we in periode II en III. Deze periode die loopt van pakweg een jaar vooruit tot 10 jaar vooruit. In deze periode neemt de onzekerheid steeds verder toe. We spreken hier ook niet meer van toekomstvoorspellingen maar van toekomstverwachtingen. In periode II overheerst nog de betrouwbaarheid, in periode III is de onzekerheid intussen al groter geworden dan de betrouwbaarheid. In periode IV tenslotte – de periode meer van meer dan 10 jaar vooruit- is er zeker, op veel vlakken, veel veranderd. We spreken dan ook vaak over ‘de ongedachte toekomst’ en we spreken hier ook niet meer van verwachtingen en zeker niet van voorspellingen maar van toekomstverkenningen.

In blok 7 maakten we kennis met cycli ofwel terugkerende patronen van groei en afname en van stijging en daling. We zagen hier onder meer de korte termijn cycli zoals de seizoencyclus en de 14 jaars-cyclus van economische opgang en neergang, de conjunctuurcyclus. We zagen daar ook de Kondratieff cyclus. Een langdurige economische golf van zo n 50 tot 60 jaar. Wij zitten nu aan het begin van de 6e Kondratieff met wellicht meer duurzaamheidtechnologie, of misschien meer AI of misschien meer healthtech en biotech of een combi van deze zaken.

Min of meer parallel aan de Kondratieff cyclus is er ook de seculaire cyclus van politieke en sociale onrust. Ook deze cyclus verloopt met een ongeveer 50-jarige golfbeweging. 

Kennis van de trends en van de cycli helpt ons om ontwikkelingen in het juiste perspectief te plaatsen. Maar helaas, zoals Mark Twain al zei: “De geschiedenis herhaalt zich niet, maar rijmt wel”. Alles komt steeds terug, maar wel steeds in een iets andere vorm.

Dat bracht ons dan bij blok 8: Externe schokken en interne kantelpunten. We hebben het hier al veel gehad over plotselinge veranderingen en onverwachte gebeurtenissen. De wildcards en de kantelende normaliteit. Deze onverwachte gebeurtenissen gooien niet alleen onze mooie toekomstplannen in de war, ze komen vaak ook nog eens op een ongelegen moment. Hoe kunnen we ons nu leren voor te bereiden op de mogelijke wildcards en onverwachte toekomsten?

Daar zijn verschillende technieken voor en in blok 8 hebben we deze onverwachte gebeurtenissen bekeken vanuit het systeemdenken. We begonnen met grote wereldschokkende natuurrampen, zoals mega vulkaanuitbarstingen. Deze super vulkaanuitbarstingen bleken veel vaker voor te komen dan we geneigd zijn te denken. En deze bleken vervolgens ook nog eens grote gevolgen te hebben gehad voor andere systemen. Als voorbeeld keken we naar de gevolgen van de uitbarsting van de Tambora vulkaan in Indonesië in het jaar 1815. Deze uitbarsting leidde tot ‘Het jaar zonder zomer’ van 1816. Wereldwijde, jarenlange temperatuurdalingen leidden tot achtereenvolgens misoogsten, hongersnoden, rondtrekkende vluchtelingen, sociale en politieke onrust en gevolgen voor kunst en cultuur, zoals enge verhalen over vampiers en het monster van Frankenstein.

Wat we dus zien is een soort domino-effect. De externe schok plant zich als het ware voort door de andere systemen. Dit was dan de uitbarsting van de Tambora in 1815, maar we zagen dat mega vulkaanuitbarstingen veel vaker voorkomen dan we denken en door de hele geschiedenis heen een spoor hebben getrokken van temperatuurdalingen en weersveranderingen en hongersnoden.

Naast mega vulkaanuitbarstingen zijn er nog meer mega rampen die van tijd tot tijd voorkomen. Bijvoorbeeld mega zonnestormen zoals die de aarde raakte in het jaar 1859 of komeetinslagen zoals in Siberië in het jaar 1908. Veronderstel eens dat zo’n komeet in zou slaan in Amsterdam of ergens in de Noordzee? En wat te denken van de volgende wereldwijde pandemie? Een combinatie van HIV-ebola en Covid? En we hoeven ons niet te beperken tot natuurrampen. Ook de mens kan er iets van. Dat hebben we gezien met twee wereldoorlogen in de vorige eeuw, de recente inval van Rusland in Oekraïne en wie weet wat de 21e eeuw ons nog meer gaat brengen? Een nucleair conflict tussen India en Pakistan? Tussen China en de VS? Tussen Israël en Iran? Zo’n conflict zou opnieuw wereldwijde gevolgen krijgen. De les is dus dat er regelmatig op wereldschaal mega systeemschokken voorkomen, die zich vervolgens voorplanten in allerlei subsystemen.

Die subsystemen zullen in eerste instantie deze externe schokken absorberen in hun systeembuffers, hun terugkoppelingen en andere schokdempers, maar vaak zijn er binnen zo’n subsysteem al kritieke evenwichten, kantelpunten en andere onevenwichtigheden aanwezig. Dat zagen we bijvoorbeeld tijdens de coronacrisis waarbij onevenwichtigheden duidelijk werden in de gezondheidszorg, de sociale verhoudingen, de wereldhandel en in de economische systemen.

Als de interne buffers de externe schok niet langer kunnen compenseren, vindt er binnen zo’n subsysteem een kanteling plaats, ook wel bifurcatie genoemd. Vanaf dat moment volgt zo’n subsysteem een ander pad in de tijd. Het herkennen van zulke kantelpunten is cruciaal bij het onderzoek naar mogelijke toekomsten. Dit zijn de plaatsen waar systemen zich wellicht anders zullen gaan gedragen en waar trends kunnen omslaan in tegentrends. Je kunt deze kantelpunten leren herkennen door gevoel voor zwakke signalen te ontwikkelen. We kwamen daar in blok 11 op terug.

Kantelpunten komen ook vaak voor in bepaalde fasen van de maatschappelijke processen. Dat zagen we ook in blok 9: de wetten van de techniek. Hier leren we verschillende terugkerende patronen te herkennen in de manier waarop technologische ontwikkelingen worden ingepast in de samenleving.

In blok 10 kwamen we weer terug bij de complexe adaptieve systemen. Deze blijken een aantal systeemkenmerken gemeenschappelijk te hebben. Als je deze kenmerken leert herkennen, kun je beter voorspellen hoe deze systemen zich mogelijk verder zullen ontwikkelen.

Na het blok over de zwakke signalen, kwamen we bij blok 12: scenario’s, waar we de instrumenten uit de eerdere blokken voor het eerst echt gingen gebruiken. We zagen daar voorbeelden van de toekomstenkegel, bifurcaties binnen de kegel, het toekomstenwiel met 1e, 2e en 3e orde effecten en hoe de technische ontwikkeling kan doorwerken in vrijwel alle levensgebieden.

In blok 13: werken met scenario’s, gingen we daar nog wat dieper op in door niet alleen verschillende typen scenario’s te bekijken, maar ook de manier waarop je deze scenario’s kunt maken. We maakten daar kennis met enkele eenvoudige methodes om zelf bruikbare scenario’s te maken. Natuurlijk met de oude en vertrouwde assenkruis methodiek, maar ook met innovatievere methoden zoals ‘doem en droom’ scenario’s en ‘science fiction prototyping’. 

Tot slot kwamen we in blok 14 bij het zelf maken van een complete toekomstverkenning. Hoe doe je dat nou? Wat komt daar zoal bij kijken? In dit hoofdstuk kwamen alle vaardigheden en instrumenten uit de eerdere hoofdstukken samen. Maar zoals al vaker gezegd, toekomstonderzoek is geen exacte wetenschap en blijft een ambacht, maar als je alle instrumenten, voorbeelden en opdrachten uit dit boek goed hebt doorgenomen, ben je ook zelf in staat om een echte toekomstverkenning uit te voeren. En bedenk verder: oefening baart kunst, ook in het toekomstonderzoek.

Les 95: Oefening baart kunst. Ook in het toekomstonderzoek