Wat een kiezer nodig heeft om te kiezen voor een menselijker samenleving

We weten steeds beter hoe een menselijker, rechtvaardiger en duurzamer samenleving eruit kan zien. Toch kiezen we er verkiezing na verkiezing niet vanzelfsprekend voor. Volgens sommige opiniemakers komt dat doordat de meeste kiezers te kortzichtig, te angstig of te slecht geïnformeerd zijn. Dat antwoord is verleidelijk, maar het maakt de ander tot probleem. Ik denk daarom dat het het verkeerde antwoord is en dat het ons juist verhindert te zien wat er werkelijk nodig is.

De kiezer is niet het probleem

Om te beginnen is menselijkheid niet iets dat iedereen hetzelfde invult. Veel kiezers stemmen juist vanuit hun idee van menselijkheid: veiligheid, een vertrouwde gemeenschap, een leven dat betaalbaar blijft. Dat zijn geen denkfouten, maar waarden die soms met elkaar botsen. Duurzaamheid kan bijvoorbeeld op korte termijn koopkracht kosten, terwijl maatregelen die de ene groep rechtvaardig vindt door een andere groep als oneerlijk worden ervaren. Wie elk verzet wegzet als een gebrek aan inzicht, kan niets leren van de mensen die hij wil bereiken. Een menselijker samenleving vraagt daarom niet alleen om gedeelde waarden, maar ook om eerlijke manieren om met botsende waarden en belangen om te gaan.

Niet veranderen is soms juist heel verstandig

Veel van wat we als weerstand zien, is bovendien rationeel gedrag. Niemand wil als eerste zijn gedrag veranderen als de rest blijft zitten: een klassiek probleem van collectieve actie. De moeite om je in complexe maatschappelijke systemen te verdiepen weegt voor één individu zelden op tegen de geringe invloed van één stem. En een kiezer kiest uit wat partijen aanbieden. Als er geen geloofwaardig, uitvoerbaar alternatief op het stembiljet staat, kun je moeilijk verwachten dat mensen er massaal voor kiezen. Dat betekent niet dat kiezers altijd rationeel handelen. Emoties, groepsidentiteit en misleidende informatie spelen eveneens een rol. Maar voordat we afwijkend stemgedrag verklaren uit angst of onwetendheid, moeten we eerst onderzoeken of de bestaande keuze misschien heel begrijpelijk is.

Wie springt als er niemand is op je op te vangen?

Dat geldt ook voor wat vaak ‘verliesangst’ heet. Wie een hypotheek, een pensioen of een baan heeft, loopt bij systeemverandering echt risico. Zelfs als de uiteindelijke uitkomst beter is, weet niemand precies wie onderweg wat zal verliezen. Zolang niemand overtuigend uitlegt wie de kosten van de overgang draagt, hoe mensen tegenvallers kunnen opvangen en welke zekerheid ze behouden, is vasthouden aan het bestaande een verdedigbare keuze. Wie verandering wil, moet dus niet alleen beloven dat het uiteindelijk beter wordt, maar ook laten zien hoe mensen de overgang veilig kunnen doormaken.

Hetzelfde geldt voor economische groei. Haar een geloof noemen is makkelijk, maar economische groei heeft, samen met onder meer technologische vooruitgang, publieke voorzieningen en sociale bescherming, bijgedragen aan het terugdringen van armoede, een hogere levensverwachting en betere toegang tot zorg en onderwijs. Wie de afhankelijkheid van voortdurende groei wil verminderen, moet laten zien hoe we die verworvenheden behouden. Hoe financieren we zorg en onderwijs? Hoe zorgen we voor voldoende inkomen, werkgelegenheid en bestaanszekerheid? En hoe voorkomen we dat de rekening vooral terechtkomt bij mensen die nu al weinig ruimte hebben? Zonder overtuigende antwoorden blijft de belofte van een economie voorbij de groeidwang voor veel mensen een sprong in het duister.

Een goed verhaal is niet genoeg

Daar komen de bekende remmen bij. Politieke cycli belonen de korte termijn, ministeries en budgetten zijn in silo’s georganiseerd, en gevestigde belangen verdienen aan de status quo. Media, tegenwoordig mede gestuurd door algoritmes, belonen verontwaardiging vaak meer dan nuance. Dat zijn reële obstakels, maar ze verklaren niet alles. Ze versterken een dieper probleem: een alternatief is vaak te vaag, te riskant en te weinig zichtbaar. Mensen kunnen een andere samenleving best wenselijk vinden en er toch niet op vertrouwen dat die er werkelijk komt, dat de overgang eerlijk verloopt of dat hun stem verschil maakt.

Een goed verhaal alleen kan dat niet oplossen. De geschiedenis laat zien dat grote maatschappelijke veranderingen meestal voortkomen uit een samenspel van omstandigheden, ideeën en georganiseerde politieke krachten. De verzorgingsstaat bouwde voort op ontwikkelingen die al vóór de Tweede Wereldoorlog waren begonnen en kreeg na de oorlog in veel landen een nieuwe impuls. Het neoliberalisme won aan invloed toen de economische problemen van de jaren zeventig het vertrouwen in het bestaande beleid aantastten. In beide gevallen waren er ideeën beschikbaar, waren er mensen en organisaties die ze uitdroegen en ontstond er politieke ruimte om ze in praktijk te brengen. Een crisis maakt verandering mogelijk, maar bepaalt niet welke verandering er komt. Daarvoor zijn een uitgewerkt alternatief, een georganiseerde coalitie en de bereidheid nodig om het ook daadwerkelijk uit te voeren. Wie op een crisis wacht om pas daarna een alternatief te bedenken, is waarschijnlijk te laat.

Laten zien dat het ook anders kan

Gelukkig bestaan er voorbeelden die laten zien dat andere keuzes mogelijk zijn. Amsterdam heeft de donuteconomie gebruikt als denkkader voor stedelijk beleid. Dat roept de vraag op hoe je sociale behoeften en ecologische grenzen samen meeweegt in concrete beleidsbeslissingen. Mondragon in Baskenland laat zien dat coöperatief ondernemen op grote schaal mogelijk is, met gedeeld eigenaarschap en zeggenschap van werknemers. Nieuw-Zeeland heeft met zijn welzijnsbegrotingen geprobeerd maatschappelijke uitkomsten nadrukkelijker mee te wegen bij de verdeling van publieke middelen. Geen van deze voorbeelden bewijst dat een compleet ander maatschappelijk model zonder meer werkt. Ze zijn begrensd, onvolmaakt en niet zomaar naar een andere context te verplaatsen. Juist daarom zijn ze leerzaam: ze bieden de mogelijkheid om te onderzoeken wat werkt, wat niet, welke voorwaarden daarvoor nodig zijn en wie de baten en lasten draagt. Een alternatief wordt pas geloofwaardig als we niet alleen de successen laten zien, maar ook de tekortkomingen en de lessen die daaruit volgen.

Vier voorwaarden om van wensdenken tot echte keuzes te komen

De vraag is dus niet waarom mensen niet kiezen voor meer menselijkheid, maar onder welke voorwaarden een gewone kiezer er redelijkerwijs voor zou kiezen. Volgens mij zijn er vier.

Ten eerste moet het risico van de overgang eerlijk worden gedeeld. Mensen moeten weten wie de kosten draagt, welke bescherming er is als het tegenzit en hoe wordt voorkomen dat bepaalde groepen structureel de rekening betalen.

Ten tweede moet het alternatief concreet en doorgerekend zijn. Niet alleen een aantrekkelijk toekomstbeeld, maar ook een geloofwaardig antwoord op praktische vragen over inkomen, werk, wonen, zorg, onderwijs en de financiering van publieke voorzieningen.

Ten derde moeten er voorbeelden zijn die mensen kunnen beoordelen. Niet als bewijs dat alles al is opgelost, maar als tastbare ervaringen waaruit blijkt wat mogelijk is, wat de beperkingen zijn en wat er nodig is om verder te komen.

Ten vierde moet er een politieke coalitie zijn die het alternatief kan dragen. Ideeën veranderen de samenleving niet vanzelf. Daarvoor zijn mensen, organisaties en instituties nodig die de verandering willen realiseren en die ook bij tegenslag verantwoordelijkheid blijven nemen.

Een samenleving bouw je samen

Bij deze vier voorwaarden hoort nog iets dat misschien wel de belangrijkste verbinding ertussen vormt: mensen moeten invloed kunnen uitoefenen op de vormgeving van het alternatief. Een samenleving kan niet menselijker worden door mensen uitsluitend een vooraf ontworpen toekomst voor te leggen en hun te vertellen waarom ze die zouden moeten omarmen. Ze moeten kunnen meepraten, keuzes kunnen beoordelen en ervaren dat hun zorgen en belangen serieus worden genomen. Dat betekent niet dat iedereen zijn zin krijgt, maar wel dat de afwegingen openlijk worden gemaakt en dat de verdeling van macht en zeggenschap onderdeel is van het ontwerp.

Onderbouwd optimisme, verandering kun je bouwen

Als die voorwaarden zijn vervuld, hoeft het verhaal niet langer op zichzelf te overtuigen. Het kan aansluiten bij wat mensen al hebben gezien, ervaren en beoordeeld. Natuurlijk blijven er meningsverschillen bestaan. Mensen zullen ook dan verschillende waarden belangrijk vinden en andere keuzes maken. Maar het gesprek verandert: niet langer gaat het alleen over de vraag of een menselijker samenleving wenselijk is, maar ook over de vraag hoe we haar samen kunnen realiseren.

Dat is mijn onderbouwde optimisme: het kantelt niet vanzelf, en een goed verhaal is niet genoeg. Maar als we een geloofwaardig alternatief bouwen, de risico’s eerlijk verdelen en mensen daadwerkelijk invloed geven, kunnen we de omstandigheden scheppen waaronder steeds meer mensen er bewust voor kiezen.

Maar dat betekent niet dat het niet mogelijk is. Integendeel:

Zodra het nieuwe verhaal overtuigender wordt dan het oude, kantelt het vanzelfsprekende.