In de afbeelding hierboven zie je het verschil tussen toekomstvoorspellingen, -verwachtingen en -verkenningen weergegeven in de tijd. Je ziet daar dat naarmate je verder vooruitgaat in de tijd, de onzekerheid toeneemt en daardoor de betrouwbaarheid van je toekomstvoorspellingen afneemt. In de afbeelding zie je ook 4 verschillende tijdshorizonnen, genummerd 1, 2,3 en 4.
De periode tussen nu en pakweg 1 jaar, (periode 1) noemen we wel ‘het verlengde nu’. Hiermee willen we aangeven dat we in deze periode niet al te veel veranderingen hoeven te verwachten. Soms, maar gelukkig niet zo heel vaak, vinden er ook op deze korte termijn extreme schokken plaats. We zullen daar later op terugkomen, want dat soort schokken doorkruisen vaak alle toekomstverwachtingen en toekomstbeelden. Maar als die zeldzame schokken niet plaatsvinden, zal in die eerste periode alles heel sterk lijken op het nu. Je kunt dan allerlei bestaande trends gewoon doortrekken. Binnen deze tijdshorizon kun je daardoor meestal redelijk betrouwbare voorspellingen doen over de toekomst.
In de periode daarna neemt de betrouwbaarheid van je toekomstvoorspelling verder af. We noemen de periode tot zo’n 10 jaar in de toekomst ook wel ‘de vertrouwde toekomst’. Alweer afgezien van het optreden van extreme schokken zal veel nog steeds redelijk op het heden lijken.
Vanzelfsprekend neemt de kans dat dit soort onverwachte gebeurtenissen zal optreden wel toe met het verstrijken van de tijd. Daarom maken we binnen deze periode nog een onderscheid tussen periode 2 en periode 3.
De grens zal dan (afhankelijk van onder meer de onderzoeksvraag) ergens liggen op plusminus drie tot vijf jaar. In periode 2 zijn de voorspellingen nog steeds redelijk betrouwbaar, in periode 3 overheerst de onzekerheid. Voor periode 2 spreken we daarom over verwachtingen en zeker niet meer over voorspellingen. In periode 3 is er intussen al zoveel onzekerheid in de voorspellingen gekropen, dat we daar al spreken van toekomstverkenningen.
Tot slot komen we in periode 4, met een tijdshorizon van meer dan 10 jaar. Dit noemen we ook wel ‘de ongedachte toekomst’ om aan te geven dat er dan vrijwel zeker zo veel externe schokken zijn geweest dat veel zaken anders zullen zijn dan we nu verwachten. Hier gaat het echt alleen nog maar om verkenningen.
Periode 1 is vooral van belang voor beslissingen op korte termijn. Denk aan inkopers die willen weten welke producten ze voor volgend jaar moeten inkopen, maar denk ook aan ondernemers met hun jaarplannen en aan politici die vooral bezig zijn met het blussen van het volgende brandje. Zoals hiervoor al beschreven zijn voor dit tijdsbestek doorgaans nog redelijk betrouwbare voorspellingen te doen. Dit is het domein van de trendwatchers, de (strategie)planners en de “supervoorspellers”. Over deze laatste groep iets meer.
supervoorspellers
Het blijkt mogelijk om met een hoge mate van nauwkeurigheid korte termijn voorspellingen te doen. Vreemd genoeg hoef je daarvoor niet eens een superdeskundige te zijn. Integendeel eigenlijk.
In de wereld van de inlichtingendiensten bestaat grote behoefte aan betrouwbaar voorspellend vermogen. Het zou prettig zijn om trefzeker de kans in te schatten dat het regime in Noord-Korea zich de komende jaren rustig zal gedragen, of dat er een staatsgreep aankomt in Turkije. Ondanks alle deskundigheid die de inlichtingendiensten in huis hebben, blijken ze daar toch niet goed in.
De Amerikaanse onderzoeker Philip Tetlock heeft dat aangetoond in een aantal grootschalige experimenten waarbij getrainde amateurvoorspellers het moesten opnemen tegen experts van de inlichtingendiensten. In een soort wedstrijd moesten ze steeds de kans inschatten dat bepaalde gebeurtenissen wel of niet zouden plaatsvinden. Bijvoorbeeld voorspellingen over verkiezingsuitslagen, politieke omwentelingen, of de hoeveelheid ijs in de Poolzee op een bepaalde datum. Het ging in totaal om ruim 100.000 voorspellingen en wat bleek? De amateurs deden het gemiddeld significant beter dan de mensen van de inlichtingendiensten ook al beschikten deze laatsten over de meest actuele geheime informatie.
Wat is het geheim van deze supervoorspellers? Anders dan je wellicht zou verwachten zijn deze supervoorspellers geen bekende trendwatchers die sterke uitspraken doen over de toekomst of deskundigen die in de media verschijnen. Het zijn gewone mensen, maar wel met een bijzondere werkmethode. Supervoorspellers zijn boven alles nieuwsgierig en onderzoekend. Verder hebben zij een opvallend open houding tegenover nieuwe informatie. Ze hebben geen vooringenomen meningen en nemen niet lichtvaardig een standpunt in. Ze zijn eigenlijk vooral op zoek naar feiten die hun standpunt kunnen ontkrachten en ze stellen met plezier hun mening bij als de feiten dat wenselijk maken. Ze zijn zich ervan bewust dat ook zij lijden aan de hiervoor beschreven hier-en-nu-bijziendheid en de beperkingen van ons brein als voorspellingsmachine. Daarom ook wantrouwen ze hun intuïtie.
Je kunt je, net als de supervoorspellers, trainen om echt goed te worden in dit soort korte termijn voorspellingen. Maar helaas vraagt het veel tijd en discipline om te komen tot goede, meetbare voorspellingen. Al hoef je geen hele studie te doen naar een onderwerp, je moet toch de tijd nemen om alle perspectieven op een mogelijke gebeurtenis te doorgronden. Deze zorgvuldigheid vraagt veel aandacht en doorzettingsvermogen.
futurologen en supervoorspellers
Futurologen doen meestal niet zulke korte termijn voorspellingen. Zij kijken doorgaans naar een langere termijn met meer onzekerheden. Toch komt de manier van werken van futurologen overeen met de aanpak van supervoorspellers. Supervoorspellers zijn bijvoorbeeld erg bedreven in het analyseren van tweede-, derde- en vierde-orde-effecten. Dit is uiteraard ook bij voorspellingen op de langere termijn van belang. Supervoorspellers snappen ook hoe complex adaptieve systemen werken. En natuurlijk hebben futurologen ook de grondige, onbevooroordeelde en onbevangen aanpak gemeen met supervoorspellers.
We zagen hiervoor dat bij voorspellingen op de wat langere termijn sprake is van meer onzekerheden dan op de korte termijn. Dat vraagt dan ook om de inzet van andere op onzekerheid toegesneden instrumenten. Daar zullen we nu bij het vervolg van deze cursus naar gaan kijken. Maar eerst weer de samenvatting van het voorafgaande in een aantal lessen.
Les 34: bij het toekomstonderzoek onderscheiden wij 4 tijdshorizonnen met ieder eigen onderzoeksmethodieken.
Les 35: voor periode 1 (het verlengde nu, de periode tot pakweg 1 jaar in de toekomst), kun je doorgaans redelijk betrouwbare voorspellingen doen
Les 36: de onzekerheid in de voorspellingen voor de verschillende perioden komt voort uit het mogelijk optreden van interne of externe schokken
Les 37: naarmate de tijdshorizon groter is, neemt de kans op het optreden van zulke schokken toe
Les 38: voor periode 2 en 3, (de vertrouwde toekomst, de periode tot pakweg 10 jaar vanaf nu) geldt dat veel nog sterk zal lijken op het heden
Les 39: voor periode 2, (de periode tot pakweg 3- 5 jaar vanaf nu) geldt dat de voorspellingen nog steeds redelijk betrouwbaar zijn, in periode 3 overheerst de onzekerheid
Les 40: voor periode 4, (de ongedachte toekomst, met een tijdshorizon van meer dan 10 jaar), geldt dat veel meer zaken anders zullen zijn dan we nu doorgaans verwachten.
Deze lessen over tijdshorizonnen leveren gecombineerd met de hier-en-nu bijziendheid nog een extra les op. Een les die kennelijk maar moeilijk doordringt bij beleids- en opiniemakers.
Les 41: we hebben voortdurend de neiging de veranderingen op de korte termijn (< 1 jaar) te overschatten en de veranderingen op de langere termijn (>10jaar) te onderschatten.
