(leestijd 19 minuten)
Inleiding
Twee eeuwen lang maakten economen een duidelijk onderscheid tussen arbeid en kapitaal. Dat was ook logisch. Zolang alleen mensen konden werken, was er weinig reden om daar anders over te denken. Maar wat gebeurt er wanneer ook robots en AI gaan werken?
Stel dat een humanoïde robot acht uur per dag dezelfde werkzaamheden verricht als een menselijke werknemer. Wat is die robot dan economisch gezien? Volgens de boekhouding is het een kapitaalgoed. Maar feitelijk levert hij arbeid. Daar ontstaat een spanning tussen de traditionele economische categorieën en de werkelijkheid. In dit artikel introduceer ik daarom het begrip Artificiële Arbeid (AA). Daarmee bedoel ik niet de traditionele automatisering die menselijke arbeid ondersteunt of productiever maakt. Het gaat om autonome of semi-autonome systemen, geavanceerde AI, software-agents en intelligente robots, die zelfstandig uitvoerende werkzaamheden verrichten en menselijke arbeid gedeeltelijk of volledig kunnen vervangen.
Ze zijn daarmee meer dan een hulpmiddel voor arbeid. Ze vormen zelf uitvoeringscapaciteit. Het gaat om door kapitaal gecreëerde uitvoeringscapaciteit die economisch dezelfde functie vervult als menselijke arbeid, maar eigendom blijft van de kapitaalverschaffer.Daarmee ontstaat een opmerkelijke situatie. Functioneel gedraagt artificiële arbeid zich als arbeid, maar juridisch en boekhoudkundig blijft zij kapitaal.
Dat is niet zomaar een verschil in terminologie. Menselijke arbeid is schaars. Ieder mens beschikt over een beperkt aantal uren en heeft bovendien een beperkte levensduur. Nieuwe arbeid ontstaat alleen via geboorte, opvoeding en jarenlange scholing. Bij kapitaal ligt dat anders. Fabrieken kunnen worden uitgebreid en software kan eindeloos worden gekopieerd. Arbeid ontvangt loon; kapitaal ontvangt rendement.
Hoe die twee ontwikkelingen samenkomen en wat dat betekent voor de economische theorie, werk ik in dit artikel verder uit. De centrale stelling van dit artikel is dat artificiële arbeid niet eenvoudig kan worden gezien als een nieuwe generatie kapitaalgoederen. Zij vormt een hybride productiefactor, met kenmerken van zowel arbeid als kapitaal.
Als deze ontwikkeling doorzet, verliest het klassieke onderscheid tussen arbeid en kapitaal geleidelijk zijn verklarende kracht. En daarmee komen ook economische modellen die op dat onderscheid zijn gebaseerd onder druk te staan. Denk aan productiefuncties en groeimodellen, maar ook aan theorieën over inkomensverdeling. De vraag is dan of een van de meest fundamentele onderscheidingen uit de economische wetenschap nog wel aansluit bij de werkelijkheid van de eenentwintigste eeuw. Als arbeid niet langer uitsluitend door mensen wordt verricht, zullen economen opnieuw moeten nadenken over wat zij precies onder arbeid verstaan.
De klassieke scheiding tussen arbeid en kapitaal
Om te begrijpen waarom artificiële arbeid zo’n ingrijpende ontwikkeling kan zijn, moeten we terug naar een van de oudste uitgangspunten van de economische wetenschap. Vrijwel alle theorieën over productie beginnen met hetzelfde onderscheid: arbeid en kapitaal. Het onderscheid is zo vertrouwd geraakt dat we nauwelijks nog stilstaan bij de aannames die eronder liggen.
Analytisch gaat het om twee verschillende soorten economische grootheden. Arbeid is een stroomgrootheid: menselijke inspanning per tijdseenheid, die opnieuw geleverd moet worden om te blijven bestaan. Kapitaal is een voorraadgrootheid: een geaccumuleerde stock van productiemiddelen die, eenmaal opgebouwd, gedurende meerdere perioden productieve diensten kan leveren. Juist dat verschil begint bij artificiële arbeid te vervagen.
Onder arbeid verstaan economen de menselijke inspanning die nodig is om goederen en diensten voort te brengen. Dat kan lichamelijke arbeid zijn, zoals het bouwen van een huis, maar ook cognitieve arbeid, zoals het schrijven van software of het stellen van een medische diagnose.
Arbeid is daarbij altijd aan mensen gebonden. Mensen beschikken over kennis, vaardigheden en ervaring en zetten die gedurende een bepaalde tijd in om waarde te creëren. Kapitaal omvat traditioneel de productiemiddelen waarmee arbeid productiever wordt gemaakt: machines, gebouwen, voertuigen, computers, infrastructuur en tegenwoordig ook software. Kapitaal ondersteunt arbeid, maar verricht die traditioneel niet zelf. Een graafmachine verplaatst aarde, maar alleen omdat een machinist haar bedient. Een computer rekent, maar doet dat binnen de opdrachten die een mens haar geeft.
Deze tweedeling vormt het fundament van de moderne productietheorie. In de bekende productiefunctie Y=F(K,L) staat L voor arbeid en K voor kapitaal. De productie van een onderneming of economie wordt verklaard uit de hoeveelheid arbeid en kapitaal die beschikbaar is en uit de manier waarop beide worden gecombineerd. Op dit onderscheid zijn vervolgens talloze theorieën gebouwd: over economische groei, arbeidsproductiviteit, kapitaalrendement, inkomensverdeling en technologische vooruitgang.
Het onderscheid is echter meer dan een analytische afspraak. Menselijke arbeid is per definitie beperkt schaalbaar. Iedere werknemer heeft een beperkt aantal uren per dag en een beperkte duur van een werkzaam leven. Nieuwe arbeidskrachten ontstaan bovendien maar langzaam, via geboorte, opvoeding en scholing. Kapitaal kent die beperking veel minder. Nieuwe machines kunnen worden gebouwd en software kan praktisch oneindig worden gekopieerd. Kapitaal groeit door investeringen. Ook de beloning verschilt. Arbeid ontvangt loon. Kapitaal ontvangt rendement in de vorm van winst, rente of dividend. In de neoklassieke theorie worden beide beloningen verklaard uit hun marginale bijdrage aan de productie.
Deze klassieke tweedeling heeft de economische wetenschap uitzonderlijk goed gediend, zolang de werkelijkheid was dat mensen werkten en kapitaal hen daarbij ondersteunde. De nieuwste generatie AI-systemen, autonome agents en humanoïde robots doorbreekt echter deze klassieke tweedeling. Voordat ik de gevolgen daarvan onderzoek, wil ik eerst laten zien waarin artificiële arbeid precies verschilt van de automatisering die we al twee eeuwen kennen.
Artificiële Arbeid als hybride productiefactor
Niet iedere technologische vooruitgang verandert de economische theorie. De stoommachine deed dat niet. Elektriciteit evenmin. En ook de computer leidde niet tot een fundamenteel andere indeling van de productiefactoren. Al deze innovaties maakten menselijke arbeid productiever, maar veranderden de rolverdeling tussen mens en machine niet wezenlijk. De mens bleef degene die het werk organiseerde, beslissingen nam en de technologie als hulpmiddel gebruikte. Het was daarom economisch logisch om die technologie als kapitaal te beschouwen.
De huidige generatie AI-systemen, autonome agents en humanoïde robots verschilt op een wezenlijk punt van eerdere vormen van automatisering. Ze ondersteunen de mens niet langer alleen bij het uitvoeren van werkzaamheden. Ze nemen steeds vaker complete werkzaamheden over.
Dat verschil lijkt misschien gradueel. Economisch is het dat niet. Een eenvoudig voorbeeld maakt dat duidelijk. Een tekstverwerker helpt een schrijver sneller te werken, maar schrijft geen boek. Een industriële robot last carrosserieën aan elkaar, maar bepaalt niet zelf welke werkzaamheden daarna moeten worden uitgevoerd. In al deze gevallen blijft de mens degene die het proces organiseert, opdrachten formuleert en verantwoordelijkheid draagt voor het eindresultaat.
Moderne AI-systemen beginnen juist ook die taken over te nemen. Ze interpreteren opdrachten, verzamelen informatie, stellen een plan op, organiseren de uitvoering, beoordelen het resultaat en passen hun werkwijze op basis van feedback aan. Autonome agents kunnen zelfs meerdere gespecialiseerde systemen tegelijkertijd aansturen en complete werkprocessen coördineren.
Humanoïde robots voegen daar een fysieke dimensie aan toe. Zij kunnen dezelfde cognitieve én motorische taken uitvoeren als menselijke werknemers, in magazijnen, fabrieken, ziekenhuizen en uiteindelijk ook in huishoudens.
Het verschil met traditionele automatisering zit dus niet simpelweg in het feit dat AI slimmer is dan eerdere software. Het wezenlijke verschil is dat de technologie zich ontwikkelt van hulpmiddel tot uitvoerder. De economische functie verschuift daarmee van het ondersteunen van arbeid naar het leveren van arbeid.
Ik heb eerder de metafoor van het belegde broodje gebruikt om deze ontwikkeling te beschrijven. Een beroep bestaat zelden uit één ondeelbare activiteit. Vrijwel iedere functie kent een voorbereiding, een uitvoerende kern en een afronding waarin resultaten worden beoordeeld en in hun context geplaatst. Lange tijd was automatisering vooral geschikt voor het middelste deel: de uitvoering. AI kon berekeningen maken of teksten samenvatten, terwijl mensen verantwoordelijk bleven voor het begrijpen van de vraag en het beoordelen van het antwoord. Juist dát verandert nu.
Nieuwe AI-systemen worden steeds beter in het interpreteren van opdrachten en het beoordelen van hun eigen resultaten. Daardoor schuift de grens van automatisering steeds verder naar de boven- en onderkant van het “broodje”. Wat enkele jaren geleden nog typisch menselijk werk leek, blijkt stap voor stap eveneens automatiseerbaar. Functioneel gedragen deze systemen zich als arbeid. Ze verrichten taken gedurende een bepaalde tijd, worden flexibel ingezet, vervangen menselijke werknemers en leveren rechtstreeks een bijdrage aan de productie. Boekhoudkundig blijven het echter kapitaalgoederen. Ze staan op de balans, zijn eigendom van ondernemingen en worden uitgebreid door investeringen, net als machines, gebouwen of software.
In de eerder geïntroduceerde termen: artificiële arbeid gedraagt zich als een stroomgrootheid, maar is tegelijkertijd ook een voorraadgrootheid. Hier ontstaat de categorische spanning die ik in dit artikel nader onderzoek. Dezelfde economische entiteit bezit tegelijkertijd de kenmerken van twee verschillende productiefactoren. Zij functioneert als arbeid, maar wordt behandeld als kapitaal.
Daar komt nog een tweede eigenschap bij die de economische betekenis van artificiële arbeid aanzienlijk vergroot. Menselijke arbeid is schaars omdat mensen schaars zijn. Iedere extra werknemer vraagt jaren van opvoeding, opleiding en scholing voordat hij productief kan worden ingezet. Artificiële arbeid kent die schaarste nauwelijks, of in ieder geval veel minder.
Softwarematige artificiële arbeid, een AI-model dat teksten schrijft, code analyseert of klantcontact voert, kent na ontwikkeling nagenoeg geen marginale kosten meer. Een extra kopie is vooral een kwestie van rekenkracht en elektriciteit. Dat is een fractie van wat de ontwikkeling van het model heeft gekost.
Daardoor komt de prijs van deze vorm van artificiële arbeid onder druk te staan. Naarmate meer aanbieders vergelijkbare modellen op de markt brengen, concurreren zij met elkaar op steeds dunnere marges. Uiteindelijk kan de prijs van uitvoeringscapaciteit richting de marginale kosten zakken, in de praktijk vrijwel nul. Intelligente humanoïde robots bevinden zich nog in een andere fase. Maar ook hier zullen de marginale kosten van verdere uitbreiding op den duur tot vrijwel nul kunnen dalen. Bij robots weegt de fysieke productie voorlopig nog zwaar. Sensoren, actuatoren, batterijen en mechanische onderdelen kosten geld, hoe goedkoop de onderliggende software ook wordt. Maar ook voor deze vorm van artificiële arbeid gelden, net als bij eerdere industriële producten, schaalvoordelen en leercurve-effecten die de kostprijs geleidelijk zullen verlagen.
Naarmate de productie van robots, batterijtechnologie en actuatoren verder industrialiseert, zoals eerder gebeurde met chips, zonnepanelen en accu’s, zal ook hun kostencurve steeds verder naar beneden buigen.
Op termijn convergeert artificiële arbeid ook in fysieke vorm dan naar dezelfde dynamiek die softwarematige artificiële arbeid nu al kent: een uitvoeringscapaciteit die, eenmaal ontwikkeld, tegen steeds lagere kosten kan worden vermenigvuldigd en uiteindelijk tendeert naar vrijwel nul.
Eén digitale werknemer kan er, in theorie, miljoenen worden. De humanoïde robot volgt dat pad met vertraging, niet met een principieel ander eindpunt.
Over het onderliggende mechanisme van deze structurele prijsdaling, waarom technische ontwikkeling de productiekosten uiteindelijk richting de marginale kosten en daarmee richting de nul drukt, schreef ik al eerder en uitgebreider in “Wat gebeurt er als technologie alles goedkoper maakt?”. Daarin onderscheidt artificiële arbeid zich zowel van menselijke arbeid als van traditionele machines. Zij combineert de functionele eigenschappen van arbeid met de reproduceerbaarheid van kapitaal. Dat maakt haar niet eenvoudigweg een nieuwe machine, maar evenmin een gewone werknemer. Zij vormt een hybride productiefactor die de klassieke economische tweedeling begint te doorbreken.
Tot nu toe lijkt dit misschien vooral een kwestie van definities. Maar zodra deze hybride productiefactor een substantieel deel van de productie voor haar rekening neemt, blijven de gevolgen niet beperkt tot terminologie. Dan rijst de vraag wat dit betekent voor de economische modellen die nog steeds uitgaan van twee productiefactoren: arbeid en kapitaal.
Comparatief voordeel?
Voordat ik de gevolgen voor productiefunctie en groeimodel uitwerk, verdient een voor de hand liggende tegenwerping aandacht. Volgens de klassieke handelstheorie van Ricardo blijft het lonen om mensen in te zetten, zelfs wanneer een andere partij in alles absoluut goedkoper is, zolang die partij positieve opportuniteitskosten heeft om haar capaciteit elders te gebruiken. Toegepast op automatisering betekent dit dat zelfs een AI die in alles goedkoper werkt dan een mens, toch mensen zou moeten blijven inzetten. Namelijk daar waar hun relatieve nadeel het kleinst is.
Op basis van hun comparatieve voordeel hebben mensen eerdere automatiseringsgolven immers steeds overleefd.
Maar comparatief voordeel werkt alleen zolang de superieure factor schaars genoeg is om positieve opportuniteitskosten te hebben. Zodra die factor vrijwel kosteloos kan worden vermenigvuldigd, verdwijnen die opportuniteitskosten. En daarmee verdwijnt ook de winst die er nog te behalen valt met de inferieure factor. Dit overkwam paarden in de negentiende eeuw. Paarden behielden op papier een comparatief voordeel bij bepaalde taken, ook nadat de automobiel was uitgevonden. Toch verdween het paard als krachtbron vrijwel volledig uit de economie toen machines zo goedkoop en overvloedig werden dat het voordeel van paarden nergens meer opwoog tegen de kosten van hun onderhoud.
Hun comparatieve voordeel bleef bestaan. Het loonde alleen niet meer om er gebruik van te maken.
Blijft er dan geen markt meer over voor mensen? Misschien wel, maar dan van een andere aard. Net zoals het paard is blijven bestaan als luxegoed, in de manege en op de renbaan, kan ook menselijke arbeid een niche behouden bij wie het zich kan veroorloven: een butler, chauffeur of Persoonlijk Assistent van vlees en bloed. Maar de verklaring hiervoor is dan niet langer een comparatief voordeel. Een menselijke butler is aantrekkelijk niet vanwege een prestatie die een AA-systeem niet zou kunnen evenaren, maar juist vanwege de afwezigheid daarvan. Een mens is duurder, tot minder in staat en precies daardoor een statussymbool. Economen noemen dat een Veblen-goed: iets waarvan de waarde juist aan de prijs zelf wordt ontleend en niet aan de prestatie.
Zodra menselijke arbeid alleen nog aantrekkelijk is omdat zij duurder is, en niet meer omdat zij iets comparatief beter doet, is zij als productiefactor al verdrongen, ook al blijft zij als luxeartikel bestaan. Artificiële arbeid ondermijnt dus niet alleen het klassieke onderscheid tussen arbeid en kapitaal, maar ook het klassieke argument waarom menselijke arbeid als productiefactor per definitie waardevol zou blijven. Wat dit betekent voor de formele economische modellen, werk ik hierna uit.
Wanneer de productiefunctie haar betekenis verliest
Veronderstel een uitgebreide productiefunctie: Y=F(K,L,AA), waarin naast kapitaal (K) en menselijke arbeid (L) nu ook artificiële arbeid (AA) is opgenomen. Wanneer artificiële arbeid tegen steeds verder dalende kosten kan worden gereproduceerd en in toenemende mate substitueerbaar wordt met menselijke arbeid, verschuift menselijke arbeid van een noodzakelijke naar een optionele productiefactor. Daarmee verliest de klassieke tweedeling tussen arbeid en kapitaal niet alleen haar beleidsmatige helderheid, maar ook haar analytische stabiliteit.
Artificiële arbeid is geen aanvullende kapitaalvoorraad die indirect productief is. Zij levert directe “arbeidsdiensten” zonder menselijke drager. De marginale-productiviteitstheorie, die verklaart waarom werknemers loon krijgen en kapitaalbezitters rendement, verliest daardoor haar categoriale scherpte. Dat roept vragen op:
- Is de beloning van artificiële arbeid een loon of een kapitaalrendement?
- Wordt de factorbeloning bepaald door de marginale productiviteit van “arbeid”, of door eigendomsrechten op kapitaal?
Het antwoord is: beide. En daarmee ontstaat een spanning in de theorie. Zolang artificiële arbeid een onvolledig substituut is voor menselijke arbeid, blijft de driedeling tussen kapitaal (K), menselijke arbeid (L) en artificiële arbeid (AA) analytisch zinvol. Elke factor levert dan een eigen bijdrage aan het productieproces. Naarmate artificiële arbeid echter steeds beter substitueerbaar wordt met menselijke arbeid, vervaagt het onderscheid tussen beide binnen de logica van het model zelf.
Bij perfecte substitueerbaarheid worden menselijke en artificiële arbeid in economische zin uitwisselbare bronnen van productieve inzet. De productiefunctie beschrijft dan niet langer twee fundamenteel verschillende vormen van arbeid, maar één gezamenlijke productiecapaciteit die uit verschillende dragers kan voortkomen. Menselijke arbeid verdwijnt daarmee niet meteen uit de economie. Wel verdwijnt zij uit de productiefunctie als afzonderlijke en onvervangbare categorie. Daardoor ontstaat een spanning tussen economische functie en institutionele classificatie. De diensten die artificiële arbeid levert lijken functioneel op arbeid, terwijl de daaruit voortvloeiende inkomsten juridisch en boekhoudkundig als kapitaalinkomen worden geregistreerd.
Van factoronderscheid naar systeemonderscheid
De klassieke factorindeling veronderstelt dat arbeid fundamenteel verschilt van kapitaal omdat arbeid levend is en kapitaal dood. Artificiële arbeid doorbreekt dit onderscheid. Wat overblijft is niet langer een onderscheid tussen arbeid en kapitaal, maar tussen reproduceerbare uitvoeringscapaciteit en institutioneel eigendom en toegang. Daarmee verschuift ook de beleidsvraag. Deze is niet langer: “Hoe wordt de output verdeeld tussen arbeid en kapitaal?” Maar: “Wie bezit en controleert de reproduceerbare uitvoeringscapaciteit?” Daarmee verliest ook de distributietheorie haar geldigheid.
De loonquote, het deel van het nationaal inkomen dat naar arbeid gaat, verliest haar analytische betekenis zodra uitvoeringscapaciteit niet langer verbonden is aan menselijke arbeid. De klassieke tegenstelling tussen looninkomen en kapitaalinkomen vervaagt als “arbeidsdiensten” nu ook direct uit kapitaalgoederen kunnen voortkomen.
Het begrip Artificiële Arbeid bij andere auteurs
Deze analyse over arbeid, artificiële arbeid en kapitaal staat natuurlijk niet op zichzelf. Daron Acemoglu en Pascual Restrepo hebben beschreven hoe automatisering twee tegengestelde effecten kan hebben. Enerzijds verdringen machines menselijke arbeid doordat zij taken overnemen. Anderzijds verhogen zij de productiviteit, waardoor nieuwe werkzaamheden en nieuwe economische activiteiten kunnen ontstaan. David Autor beschreef al eerder hoe dergelijke processen de arbeidsmarkt historisch hebben gepolariseerd doordat vooral routinematige taken werden geautomatiseerd, terwijl niet-routinematige werkzaamheden relatief belangrijker werden. Thomas Piketty heeft gewezen op de mogelijkheid dat inkomen uit kapitaal sneller groeit dan inkomen uit arbeid.
Maar artificiële arbeid voegt aan deze discussie een nieuwe dimensie toe. Wanneer kapitaal niet alleen productiemiddelen levert, maar ook zelf uitvoerende arbeid verricht, vervaagt het traditionele onderscheid tussen beide productiefactoren. Ook de econoom Daniel Susskind onderzoekt in A World Without Work een verwante problematiek vanuit de toekomst van werk en werkgelegenheid.
In dit artikel kies ik echter een andere invalshoek. Het vertrekpunt is niet de arbeidsmarkt, maar de productiefactorentheorie. De centrale vraag is of de traditionele interpretatie van arbeid als exclusief menselijke productiefactor nog houdbaar blijft wanneer artificiële systemen in toenemende mate dezelfde economische functies vervullen. Bovengenoemde auteurs voeren hun analyses uit binnen een economisch kader waarin de productiefactor arbeid zelf onveranderd blijft. In hun analyses staat de vraag centraal welke taken mensen behouden en welke taken door technologie worden overgenomen.
Het begrip artificiële arbeid verschuift de aandacht naar een ander niveau van analyse. De vraag is hier niet welke taken worden geautomatiseerd, maar hoe de economische theorie moet omgaan met systemen die werkzaamheden verrichten die traditioneel tot de productiefactor arbeid werden gerekend, terwijl zij juridisch en boekhoudkundig als kapitaal worden behandeld. Daarmee verschuift de analyse van taakvervanging naar de relatie tussen arbeid, kapitaal en eigendom.
Implicaties voor economische groeimodellen
In Solow-achtige groeimodellen hangt economische groei af van drie factoren: kapitaalaccumulatie, arbeidsgroei en technologische vooruitgang. Artificiële arbeid verandert dat beeld ingrijpend. Nieuwe AI-systemen en robots zijn geen mensen die eerst geboren, opgevoed en opgeleid moeten worden. Ze “ontstaan” door te investeren in hardware en software. Meer arbeid ontstaat daardoor niet langer door bevolkingsgroei, maar door kapitaalinvesteringen. Wat vroeger arbeidsgroei was, meer effectieve arbeidsuren, wordt zo kapitaaluitbreiding. Arbeidsgroei wordt daarmee een endogeen onderdeel van kapitaalaccumulatie. Dat raakt ook een van de hardnekkigste empirische regelmatigheden in de economie.
De Cobb-Douglas-productiefunctie is al bijna honderd jaar een van de belangrijkste modellen in de economische wetenschap. Een van de impliciete aannames daarachter is dat de opbrengst van een economie op lange termijn steeds ongeveer in dezelfde verhouding wordt verdeeld tussen arbeid (lonen) en kapitaal (winst, rente, dividend). In veel landen gaat historisch ongeveer twee derde van het nationale inkomen naar arbeid en een derde naar kapitaal. Die verhouding is, ondanks decennia van technologische verandering, verrassend stabiel gebleken. Als artificiële arbeid arbeidsgroei laat samenvallen met kapitaalaccumulatie, is er weinig reden meer om aan te nemen dat die verhouding stabiel blijft. De loonquote kan dan structureel gaan dalen, simpelweg omdat een steeds groter deel van wat functioneel “arbeid” is, boekhoudkundig al kapitaal is.
De distributieve paradox
Dat roept een voor de hand liggende vraag op. Als artificiële arbeid op termijn inderdaad tegen steeds verder dalende marginale kosten reproduceerbaar is, zullen de rendementen van de kapitaalbezitters dan niet net zo hard worden weggeconcurreerd als de lonen van werknemers?
Het antwoord ligt in het onderscheid tussen de reproduceerbaarheid van gebruik en die van productie. Een bestaand AI-model kopiëren en inzetten is vrijwel kosteloos. Een vergelijkbaar model vanaf nul bouwen, met de vereiste data, rekenkracht en specialistische kennis, is dat allerminst. Daar komt bij dat zulke systemen worden beschermd door intellectueel eigendom, geheimhouding en de schaal van de benodigde investering. De combinatie van lage marginale kosten en hoge, kunstmatig beschermde toetredingsdrempels is de klassieke voedingsbodem voor marktmacht.
Zij verklaart waarom software- en platformmarkten doorgaans naar oligopolie neigen in plaats van naar perfecte concurrentie. Artificiële arbeid erft dat marktstructuurpatroon. En dat is de reden waarom haar opbrengst, anders dan bij een homogeen productiemiddel, niet automatisch naar nul wordt geconcurreerd. Dit heeft directe gevolgen voor de inkomensverdeling.
Als de opbrengst van artificiële arbeid wordt uitgekeerd als kapitaalrendement in plaats van als loon, verschuift de arbeidsinkomensstroom naar de kapitaalbezitters. De centrale verdelingsvraag van de eenentwintigste eeuw wordt daarmee de vraag wie eigenaar is van deze artificiële uitvoeringscapaciteit. Blijft die capaciteit eigendom van een kleine groep, dan neemt de ongelijkheid sterk toe. Wordt de toegang breed gedeeld, dan ontstaat de mogelijkheid van een economie van overvloed voor iedereen.
Van arbeid versus kapitaal naar eigendom versus toegang
Wat in de negentiende eeuw een sociaal conflict was tussen arbeiders en kapitaalbezitters, wordt in de eenentwintigste eeuw een vraag naar toegang tot de artificiële uitvoeringscapaciteit. De productiefactorentheorie heeft ons lang gediend. De vraag is nu of zij de economische werkelijkheid van de komende decennia nog even goed beschrijft. Als arbeid niet langer uitsluitend een menselijke activiteit is, welke begrippen moeten dan de plaats innemen van het klassieke onderscheid tussen arbeid en kapitaal? Dat is misschien wel de belangrijkste economisch-theoretische vraag van de komende decennia. Het antwoord zal niet liggen in een nieuwe naam voor een oude categorie, maar in de vraag die ik in dit artikel al aanstipte: Niet wie werkt, maar wie toegang heeft tot wat werkt.
De vraag is niet langer hoe arbeid en kapitaal zich tot elkaar verhouden. De vraag is wie de arbeid bezit, wanneer arbeid geen mens meer is.
Peter van der Wel (12026)
PS: Vanuit mijn achtergrond als econoom en toekomstonderzoeker kijk ik naar technische ontwikkelingen in een bredere maatschappelijke context. Vandaar deze economisch-theoretische beschouwing over de toekomst van ons economisch systeem.
PPS: Reacties zijn welkom. Je kunt ze mailen naar mijn mailadres.
PPPS: dit artikel verscheen eerder in het tijdschrift Civis Mundi
