Vrijwel alle grote uitvindingen van de digitale revolutie, van het internet, video-conferencing, GPS (global positioning system) tot aan virtual reality zijn in het geheim ontwikkeld door geleerden in dienst van het Pentagon. Deze uitvindingen zijn daarna vele jaren weggehouden voor het grote publiek. Dit moet de ICT-revolutie met vele jaren hebben vertraagd. Want pas na de koude oorlog kwam voor deze producten de massamarkt tot ontwikkeling, met de opkomst van geheel nieuwe industrieën en bedrijfstakken.
Al eeuwen is het meeste onderzoek gericht op het behalen van commercieel, politiek, of militair gewin. Vrijwel alle onderzoek staat of ten dienste van het winststreven (waar iedere besparing op grondstoffen en energie een concurrentievoordeel betekent) of ten dienste van de wapenontwikkeling en de ruimtevaart (waar gewoekerd moet worden met kubieke centimeters en grammen gewicht). Dit heeft wel tot nieuwe, maatschappelijk nuttige vindingen geleid, maar via een omweg. Het is alsof je om Teflon te ontwikkelen eerst naar de maan moet vliegen. (Volgens een populair misverstand is Teflon ontwikkeld als een bijproduct van de ruimtevaart).
Hoe zouden wij de productie van kennis en informatie meer direct kunnen richten op de echte maatschappelijke behoeften en problemen? De maan is letterlijk en figuurlijk toch wel een lange omweg. En hoe zouden wij de verspreiding van al die kennis en informatie zoveel mogelijk kunnen bevorderen?
digitalisering maakt alles anders
Miljoenen mensen delen via internet muziek, teksten en beeldmateriaal. Dankzij internet en de digitalisering kunnen we dit soort content nu bijna voor niks vermenigvuldigen, delen en verspreiden. Als samenleving hebben we belang bij een snelle verspreiding van nieuwe kennis en informatie. Het is toch prachtig als zoveel mogelijk mensen gebruik kunnen maken van een nieuw medicijn tegen malaria, van energievriendelijke auto’s of kunnen genieten van een prachtig nieuw muziekstuk of boek. Dat geldt overigens niet voor alle kennis. De kennis hoe een vuile atoombom te produceren houden we liever toch enigszins geheim.
We kunnen tegenwoordig perfecte digitale kopieën maken van een digitaal origineel. En dat ook nog eens tegen vrijwel verwaarloosbaar lage kosten. De MP3-speler, de CD- en DVD-brander, maar vooral het internet maken kopiëren en verspreiden van informatie steeds makkelijker en goedkoper. Dit roept dan de vraag op, hoe – als content bijna gratis kan worden gekopieerd en verspreid – de producenten van content daar dan nog wat aan kunnen verdienen. Ze moeten toch ook beloond worden voor hun inspanningen? Wie ontwikkelt anders nog nieuwe muziek, spelletjes of doet onderzoek naar nieuwe geneesmiddelen? De vraag is dus hoe we tegelijkertijd de productie en de verspreiding van content zoveel mogelijk kunnen stimuleren.
Intellectueel eigendom
In de moderne westerse samenleving hebben we daarvoor gekozen voor het instrument van het juridisch eigendom op informatie, het auteursrecht, patent, octrooi of copyright. Dit is bedoeld als een beloning voor het ontwikkelen van nieuwe content. De auteur, uitvinder of contenteigenaar krijgt een wettelijk recht om het eigendom van de content een tijd lang commercieel te exploiteren. Het auteursrecht bijvoorbeeld geldt tot 70 jaar na de dood van de auteur.
Zo’n eigendomsrecht op kennis is eigenlijk iets vreemds. Informatie of content is namelijk zoals we zagen een immaterieel product. Materiële producten zoals een auto of een theekopje kun je echt verkopen en hebben een duidelijke eigenaar. Als ik mijn auto verkoop ben ik die auto kwijt en is er een nieuwe eigenaar. Dat geldt niet voor informatieproducten. Een softwareprogramma, of de digitale versie van dit boek of van een stuk muziek kan ik met een druk op de knop kopiëren of via internet downloaden. Als ik dat doe heeft de oorspronkelijke eigenaar van dit kennisproduct, het softwareprogramma of muziekstuk ook nog steeds in zijn bezit! Vandaar de uitspraak: kennis vermenigvuldig je door het te delen.
Op de tweede plaats valt een informatieproduct nooit uit de lucht. Niemand bedenkt iets helemaal vanuit het niets. Iedere onderzoeker, kunstenaar, componist of schrijver leunt altijd op de schouders van zijn voorgangers. Alle kennis die wij bezitten hebben we te danken aan onze voorgangers. Van wie is die informatie, die kennis of die content dan eigenlijk? In niet-westerse culturen, maar ook bij ons tot eind 19e eeuw keek men dan ook heel anders aan tegen intellectueel eigendom. Nederland kent bijvoorbeeld pas sinds 1912 het auteursrecht. Geestesproducten kon je niet bezitten, het waren producten van de gemeenschap.
andere oplossingen
Buiten het rijke Westen kijkt men nog steeds op deze wijze aan tegen intellectueel eigendom. Geestesproducten, kunst en kennis worden daar traditioneel nog steeds vooral beschouwd als producten van de gemeenschap. Kunstenaars en uitvinders borduren voort op het werk van hun voorgangers. Daar wordt het nog steeds vreemd gevonden dat iemand een artistieke of intellectuele creatie als zijn of haar eigendom kan beschouwen waar niemand aan mag komen. Dit verklaart ook waarom men bijvoorbeeld in Zuidoost Azië volop kopieert en daar ook weinig kwaad inziet.
Ook in de wetenschappelijke wereld kijkt men nog steeds anders tegen kennis aan. Daar wordt kennis nog steeds gedeeld. Hoogleraren publiceren hun bevindingen in vakbladen zodat iedereen er kennis van kan nemen. Pas de laatste decennia begint ook in deze wereld kennis een commercieel artikel te worden.
nadelen van intellectueel eigendom
Er zijn ook grote maatschappelijk nadelen verbonden aan intellectuele eigendomsrechten. Als maatschappij hebben we immers belang bij een zo snel mogelijk en zo breed mogelijke verspreiding van kennis en informatie. Door exploitatierechten maken we van kennis echter handelswaar. Iets dat in principe gratis verspreid had kunnen worden, wordt zo kunstmatig duur gemaakt. Dit bemoeilijkt verdere verspreiding en leidt tot prijsopdrijving. Het bemoeilijkt bijvoorbeeld wetenschappelijk onderzoek. Als onderzoeksresultaten alleen tegen hoge kosten mogen worden gebruikt, wordt vervolgonderzoek onnodig gefrustreerd. Dat geldt ook voor commercieel onderzoek. Concurrerende bedrijven moeten grote bedragen investeren in parallelonderzoek om elkaars octrooien en patenten te omzeilen. Dat zien we bijvoorbeeld in de geneesmiddelenindustrie. Nieuwe medicijnen kosten honderden miljoenen aan research, maar voegen vaak niet veel meer toe aan bestaande producten van de concurrentie. Het medicijnenonderzoek richt zich ook vooral op geneesmiddelen die gepatenteerd kunnen worden en zo veel winst beloven, dus op ziekten van de rijke Westerse welvaartslanden. Veel tropische ziekten die veel vaker voorkomen maar dan in de arme ontwikkelingslanden, vallen daarom buiten de scope van het onderzoek omdat ze niet lucratief genoeg zijn.
Er zijn nog meer nadelen verbonden aan een commercieel exploitatierecht op ideeën. Ik wil er hier nog eentje noemen. Commerciële exploitatie van eigendomsrechten bevoordeelt vooral de grote gevestigde ondernemingen die door hun economische macht nieuwe, betere kennis en ideeën van de markt houden. VHS en DOS bijvoorbeeld waren technisch inferieure standaarden, maar hielden andere, technisch betere systemen uit de markt. Dat zien we ook in de wereld van de muziek en de film. Zonder grote budgetten voor promotiecampagnes, trailers en clipjes is het tegenwoordig heel erg moeilijk door te breken naar het grote publiek.
Mickey Mouse wetgeving
In het digitale tijdperk wordt het intussen steeds moeilijker om het eigendomsrecht op content te beschermen. Meer dan de helft van alle Nederlanders vindt het maken van een digitale kopie voor eigen gebruik volstrekt acceptabel. “Waarom zou ik moeten betalen voor iets wat gratis uit mijn radio, van mijn TV, van het internet of uit mijn CD-speler komt?” We zien de contenteigenaren dan ook steeds heviger campagnes voeren om hun copyrights te beschermen. Het is niet geheel toevallig dat deze patenten en auteursrechtenlobby vooral vanuit de Verenigde Staten wordt aangevoerd. De meeste patenten, copyrights en auteursrechten zijn namelijk in het bezit van Amerikaanse bedrijven. De laatste decennia is deze lobby er al enkele malen in geslaagd, de termijn te verlengen waarbinnen de copyrights blijven gelden. Niet helemaal toevallig zo beweren de tegenstanders, gebeurde dat iedere keer net op het moment dat de rechten op Mickey Mouse dreigden af te lopen.
Zijn er dan geen andere oplossingen beschikbaar om zowel de productie als de verspreiding van kennis en informatie te stimuleren? Jawel. Eén oplossing is al heel oud: kennis delen. Dit is de manier waarop men in de wetenschap werkt en deze methode werkt nog steeds. Ook buiten de wetenschap bestaat deze aanpak nog steeds. In de software wereld bijvoorbeeld bestaat de Open Source beweging. Miljoenen mensen over de hele wereld werken samen aan het ontwikkelen en verbeteren van softwareproducten, zonder daar direct geld mee te verdienen. Ze doen het uit hobbyisme, omwille van de uitdaging, het vinden van de oplossing, het creëren van iets nieuws, de eer, of omdat ze er zelf veel van leren. Dit heeft geleid tot een scala van softwareproducten die vaak net zo goed, zo niet beter zijn dan de commerciële varianten.
kennis is heel anders dan andere producten
Een tweede oplossing houdt de commerciële productie in stand, zonder de nadelen van het verspreidingsmonopolie. Deze oplossing maakt gebruik van het bijzondere karakter van kennis. Kennis lijkt namelijk heel sterk op wat economen een ‘collectief goed’ noemen. Bekende voorbeelden van collectieve goederen zijn de kerkklok, de straatverlichting, defensie, rechtsbescherming, het landsbestuur, bescherming tegen het water, een leefbaar milieu. We noemen dit collectieve goederen omdat de gebruiker er niet rechtstreeks voor betaalt. Dat kan ook niet. Iedereen mag gratis op de kerkklok kijken. Van een schoon leefmilieu of een betrouwbaar en goed functionerend rechtsysteem profiteert iedereen, ongeacht of hij heeft meebetaald of niet.
Is een collectief goed er eenmaal dan kun je iemand niet of alleen heel moeilijk van het gebruik ervan uitsluiten. Als een collectief goed er eenmaal is, kost het ook niets meer om het ook aan andere gebruikers ter beschikking te stellen. Economen zeggen dan “consumptie door de één rivaliseert niet met consumptie door de ander” of, in gewone mensentaal: als ik op de kerkklok kijk, gaat dat niet ten koste van mijn buurman. Hij kan ook op die klok kijken. Het is daarom moeilijk, zo niet onmogelijk een verkoopprijs voor een collectief goed vast te stellen. Je kunt de gebruiker moeilijk naar de mate van zijn gebruik laten betalen.
kennis als collectief goed
Kennis en informatie hebben alle kenmerken van een collectief goed. Consumptie van kennis door de één rivaliseert niet met consumptie door een ander. Als kennis en informatie eenmaal zijn geproduceerd, kost het vrijwel niets meer om het daarna gratis ter beschikking te stellen aan alle gebruikers. Dit pleit dan voor een productiemodel voor content zoals dat ook voor collectieve goederen is ontwikkeld. De overheid zorgt ervoor dat collectieve goederen voor ons allen beschikbaar zijn. Verschillende bedrijven concurreren met elkaar om het collectieve goed, bijvoorbeeld de weg of de dijk te mogen aanleggen. De overheid verleent dan aan één of meer bedrijven een opdracht en betaalt dat uit de belastingopbrengsten.
Dit systeem zouden we ook kunnen toepassen op informatie en kennis. Denk eens aan de voordelen als alle informatie en content gratis aan iedereen ter beschikking zou worden gesteld. Iedereen kan dan altijd en overal gebruik van maken. Denk bijvoorbeeld maar eens aan digitaal lesmateriaal. Iedereen kan dan altijd en overal leren. Educatieve content is daarom uitermate geschikt om meer ervaring op te doen met dit belonings- en verspreidingsmodel.
afbouw commerciële bescherming
In de tussenperiode wil ik ervoor pleiten om de juridische beschermingsconstructies voor contenteigenaren te verminderen. Hoewel deze, toen ze begin vorige eeuw werden ingevoerd, bedoeld waren om de oorspronkelijke scheppers van nieuwe werken te beschermen, zijn deze rechten steeds meer ‘verworden’ tot instrumenten ten dienste van grote contentbezitters. Gereedschap in handen van grote conglomeraten op de markten van muziek, foto’s, boeken en films. Zij bepalen of het beeld-, tekst- en muziekmateriaal dat zij in handen hebben door anderen gebruikt mag worden. En als dat mag, onder welke voorwaarden en tegen welke prijs.
Steeds vaker klagen beginnende kunstenaars, auteurs en uitvinders over de belemmerende werking die hiervan uitgaat. Zonder de marketingmacht van een groot bedrijf achter je, is het steeds moeilijker door te breken. Mijn voorstel zou dan ook zijn om de beschermingstermijn rigoureus terug te brengen tot bijvoorbeeld twee jaar. Dit moet voldoende zijn om de kosten van grote producties, denk aan speelfilms, terug te verdienen. Tijdens die twee jaar hebben zij het alleenrecht om het betreffende werk financieel te exploiteren, met andere woorden om de economische vruchten daarvan te plukken. Na deze periode zouden deze nieuwe producties echter in het publieke domein thuishoren om cultureel te mogen worden aangepast en hergebruikt.
kennis delen
Met dit voorstel krijgen culturele monopolisten, die nu met hun sterren, blockbusters en bestsellers de aandacht wegslurpen van al het andere artistieke werk dat door kunstenaars wordt gemaakt, het een stuk moeilijker. Als het exploitatierecht als beschermingsconstructie minder krachtig is, kunnen wij allen bestaand artistiek en wetenschappelijk werk naar eigen plezier aanpassen en hergebruiken. Daarmee herstellen we de situatie zoals die feitelijk in vrijwel alle culturen en overal ter wereld – met uitzondering van het Westen vanaf de negentiende eeuw – bestond en bestaat.
Peter van der Wel (12007)
PS: Ben je het eens met de boodschap van deze blog? Post hem op de socials en/of stuur hem door naar een collega of vriend waarvan je denkt dat ze hem ook interessant zullen vinden! Kreeg je ’m zelf doorgestuurd? Abonneer je hier gratis op nieuwe blogs.
PPS: Reacties zijn welkom. Je kunt ze mailen naar mijn mailadres.
