Werken met Scenario’s

De scenario’s die wij in dit blok zullen bespreken staan bekend onder de naam: exploratieve scenario’s. Dit type scenario’s is bedoeld om de nog ongedachte en onverwachte toekomsten te verkennen. Dat gebeurt door je los te trekken uit bestaande denkkaders en je te bevrijden van hier-en-nu-bijziendheid. Het zijn dus zeker geen planningsscenario’s of voorspellingen van de toekomst. Het zijn scenario’s om je denken op te rekken en je beter voor te bereiden op de onzekere toekomst. Ze helpen je om te ontdekken wat je nog niet weet.

We zullen hier enkele eenvoudige methodieken bespreken die je ook als beginner eenvoudig kunt toepassen. En dan beginnen we met het assenkruis. Heel lang was het assenkruis de gouden standaard bij het maken van scenario’s. Ze zijn relatief eenvoudig om te maken, je krijgt vrijwel vanzelf 4 verschillende scenario’s en ze zijn ook nog eens erg overzichtelijk.

Je begint met het helder formuleren van je onderzoeksvraag. Bijvoorbeeld hoe staat mijn branche er over 10 jaar voor? Of waar moeten wij als gemeente rekening mee houden bij het opstellen van de komende meerjarenbegroting? Vervolgens ga je zoeken naar de twee grootste onzekerheden die relevant zijn voor jouw onderzoeksvraag. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Wat zijn de onzekerheden?  En hoe belangrijk zijn die voor mijn onderzoeksvraag? Het werkt het beste om dit met een gezelschap te doen, liefst ook nog eens afkomstig uit verschillende werelden, zodat je ook zoveel mogelijk verschillende invalshoeken krijgt. Je vraagt dan aan iedereen om zo veel mogelijk onzekerheden te bedenken. Wat zou er allemaal kunnen gaan gebeuren en hoe zeker is dat dan?

Je kiest dan voor de twee grootste onzekerheden met de meeste impact op je onderzoeksvraag. Omdat het om onzekerheden gaat, kun je niet voorspellen hoe deze zullen uitpakken. Ze kunnen zich in de ene of de andere richting ontwikkelen. Net als bij het weer kan het gaan regenen of het kan droog blijven. Hiermee ga je dan de extremen van de assen benoemen. Als je de twee meest impactrijke en meest onzekere assen met hun uitersten in een assenkruis zet, levert dat 4 scenario’s op. Vervolgens ga je deze 4 scenario’s invullen. In de video bij dit cursusblok werkten we dat uit voor het tuinfeest, maar dat was een wel heel simpel voorbeeld. Dit voorbeeld en de voorbeelden uit dit blok zijn overigens voor een groot deel ontleend aan het boek: ‘Wijzer in de toekomst; werken met scenario’s’ 15 geschreven door mijn collega Jan Nekkers. Wie echt wil gaan werken met scenario’s kan daar nog veel meer informatie in vinden.

Voor dit invullen van de scenario’s gebruiken we nu het toekomstwiel dat we bespraken in het vorige blok. De daar gevonden 1e en 2e en eventueel 3e orde effecten gaan we nu vertalen in een verhaaltje of een serie aandachtspunten. We hebben dan al vier duidelijk verschillende scenario’s, vier beelden van mogelijke toekomsten.

We werken dat nu in dit voorbeeld uit naar een dierentuin, met als onderzoeksvraag: “hoe moderniseren we onze dierentuin, naar een toekomst zonder gekooide exotische dieren?” Dit voorbeeld is net als het voorbeeld daarna ontwikkeld door mijn collega Jan Nekkers van het bedrijf FutureConsult.

Hierbij gaat het dus niet om de 2 belangrijkste onzekerheden maar om 2 dilemma’s of drijvende krachten die van belang zijn voor onze onderzoeksvraag. Maar je kunt ook kiezen voor een combinatie van 1 onzekerheid en 1 drijvende kracht of 1 kerndilemma. In principe kun je alles invullen op de assen wat je wilt, zolang het maar relevant is voor de toekomst van je onderzoeksvraag.

Zoals je in dit voorbeeld ook al een beetje kunt zien, is de naamgeving van de scenario’s ook belangrijk. Het is het beste om korte duidelijke namen te zoeken voor de verschillende scenario’s. Dit vergemakkelijkt het gesprek over de scenario’s tijdens de besprekingsfase, maar ook later als we nog eens terugkijken naar die vier scenario’s. “Weet je, wat er nu gebeurt, doet toch wel erg aan scenario B denken”. Verder is het vinden van een goede pakkende titel ook een bewijs dat het beschreven scenario duidelijk onderscheidend en afgebakend is. Hierboven zie je nog wat voorbeelden van mogelijke pakkende titels.

Er zijn nog meer eisen waaraan de vier scenario’s idealiter moeten voldoen. Ze moeten bijvoorbeeld alle vier ongeveer even plausibel zijn. Anders loop je het gevaar dat één van de scenario’s niet serieus wordt genomen of juist te veel aandacht krijgt. Dat geldt ook voor de mate van relevantie. Duidelijk irrelevante scenario’s worden (te) snel terzijde geschoven. Verder moeten de scenario’s ook voldoende afwijken van de bestaande situatie. Ze moeten uitdagend genoeg zijn om ons aan het denken te zetten. Tenslotte de eis van gelijkwaardigheid. Alweer moeten we voorkomen dat één of meer scenario’s er om de een of andere reden uitspringen, waardoor de aandacht ten onrechte naar dit of een ander scenario gaat.

Zoals ik al opmerkte, was het assenkruis heel lang de gouden standaard bij het maken van scenario’s. Nog steeds zijn heel veel scenario’s vormgegeven met behulp van een assenkruis. Kijk maar eens op internet. Maar er zitten ook een aantal belangrijke nadelen aan deze aanpak. Ten eerste die twee assen. Dat werkt natuurlijk wel beperkend. De werkelijkheid heeft meer dimensies en is veel meer gefragmenteerd dan de twee dimensies die je op die assen kwijt kunt. Meer dimensies kiezen zou ook kunnen, maar leidt tot meer scenario’s en dat aantal dijt snel uit bij drie (9) vier (16) of nog meer scenario’s. Die twee assen leiden soms ook tot geforceerde keuzes. Weet je wel zeker dat je inderdaad de belangrijkste onzekerheden, kerndilemma’s of drijvende krachten te pakken had? En wat nu als één van deze scenario’s niet relevant is voor ons onderzoek? Of wel erg ongeloofwaardig?

Naast deze zeer gestructureerde aanpak met twee assen en een assenkruis hebben futurologen daarom ook een meer intuïtieve aanpak ontwikkeld, waarbij we niet worden beperkt door twee assen of dimensies. Bijvoorbeeld de ‘worst-competitor’ aanpak. Aan de hand van enkele vragen beschrijven we daarin een mogelijke toekomst waarin onze worst-competitor onze branche overneemt. In het kader hieronder zie je enkel voorbeelden van zulke vragen.

De warmloop vragen vooraf:

  1. Wat zijn de zwakke kanten van onze organisatie?
  2. Welke nieuwe concurrenten zien we nu al in de toekomst?
  3. Hoe kunnen de grenzen van onze branche veranderen?
  4. Welke spelers uit andere sectoren/branches zouden onze markt kunnen ontwrichten?
  5. Aan welke innovaties werken onze concurrenten momenteel?
  6. Wat zijn onze sterke kanten? Wat maakt ons uniek?

De scenario vraag:

Beschrijf wat er zal gebeuren er als er zich naast ons (hoofd)kantoor een nieuwe startup vestigt die m.b.v. nieuwe innovatieve technologie en/of een nieuwe marktbenadering onze markt betreedt.

Als je dat in enkele groepjes doet, heb je waarschijnlijk meteen al enkele verschillende mogelijke doemscenario’s. Deze kun je dan gebruiken om te onderzoeken welke stappen je kunt ondernemen om te voorkomen dat zo’n mogelijke concurrent onze markt zou overnemen. Kun je zelf al zo’n nieuwe technologie gaan toepassen?  De markt op zo’n nieuwe manier kunnen benaderen? Partners zoeken om zo’n doemscenario voor te zijn?

Een tweede aanpak is de vier toekomstbeelden methodiek. Doem, droom (of groei), beperking en transformatie. Per toekomstbeeld geef je dan opnieuw aan de hand van enkele vragen een beschrijving van zo’n mogelijke toekomst.  In het kader hieronder vind je opnieuw enkele voorbeelden van zulke vragen.

Groei: 20 jaar in de toekomst alles blijft groeien, welvaart, technologie, bevolking, vrede. In 2050 zijn wij nog steeds een ……… organisatie wij zijn dan beter in ……… slechter in ………… dat geeft mij een …………….. gevoel.

Beperking: 20 jaar in de toekomst enkele factoren roepen beperkingen op klimaat, politiek en ……… In 2050 is ……………. algemeen en dat begon met………. daarom moeten wij nu …………   dat geeft mij een ……………..gevoel

Doem: 20 jaar in de toekomst In 2050 kunnen wij niet meer ………… dat komt door ….……… daarom moeten wij nu……… dat geeft mij een ………… gevoel

Transformatie: 20 jaar in de toekomst onverwachte veranderingen met grote impact (denk aan de komst van de smartphone of het internet) In 2050 houden wij ons niet meer bezig met (core business) ……..………… dat komt door …….……… wij focussen ons dan op ……………. dat geeft mij een ……………… gevoel

Opnieuw doe je dit bij voorkeur in een groepje en per toekomst vul je dit mogelijke toekomstbeeld verder in. Hierbij is de afkorting STEEP een nuttig hulpmiddel, omdat dit belangrijke aandachtspunten zijn die in elk scenario moeten worden ingevuld.  (eigenlijk echt in elk scenario, dus bijvoorbeeld ook in de assenkruis scenario’s).

Hoe ontwikkelt de samenleving (sociaal) zich in het groei/droom scenario? Dat doen we ook voor de techniek. Wat voor mogelijke technische ontwikkelingen zijn er mogelijk in dit scenario? Welke economisch ontwikkelingen, en zo verder. Vervolgens herhaal je deze exercitie voor de andere drie scenario’s en zo heb je vier duidelijk onderscheidende scenario’s.

Daarna moet je die aandachtspunten nog wel vertalen tot aansprekende verhalen. Ook hiervoor zullen we twee eenvoudige methodieken bespreken die direct al een mooi resultaat opleveren, ook voor de minder ervaren ‘verhalen bedenker’.

Om te beginnen de ‘the day in the life’ methode. Hierbij beschrijf je zo beeldend mogelijk een dag ‘in het leven van’ ergens in de toekomst in elk van deze scenario’s. Durf hierbij je fantasie de vrije loop te laten gaan. Je kunt het letterlijk ‘zo gek niet’ bedenken. Daarbij kun je – zeker bij de wat langere termijn scenario’s – inspiratie halen uit SF verhalen of films.

De tweede methode gaat nog hier verder op door en staat wel bekend als ‘sciencefiction prototyping’. Hierin schrijf je individueel of liever nog in een groepje een SF-verhaal aan de hand van een verhaalstramien. Bijvoorbeeld het stramien van ‘De Reis van de Held’, ook wel bekend als de mono mythe. Dit stramien werd bedacht door de beroemde mytholoog Joseph Campbell[1]. Hij stelt dat alle verhalen in wezen hetzelfde zijn en dat alle goede verhalen passen binnen deze standaardindeling. Dit is een handig hulpmiddel wanneer je een spannend verhaal wilt schrijven.

De basis van de monomythe zal je vast bekend voorkomen. Het verhaal gaat over het leven van een normaal persoon, waarin plotseling iets verandert, waardoor hij of zij gedwongen wordt om een reis naar het onbekende te maken. Tijdens deze reis ontmoet de hoofdpersoon verschillende soorten wezens, overwint beproevingen en leert iets waardevols dat gebruikt kan worden om een bepaalde grote uitdaging het hoofd te bieden. Na het voltooien van deze taak, kan de hoofdpersoon met deze nieuwe schat aan ervaring terugkeren naar het gewone leven.

De ‘Reis van de Held’ kan worden onderverdeeld in 12 stappen en vormt de kern van de SF-prototyping aanpak. Deze aanpak kan je ook bekend voorkomen van een spelletje dat ook wel op verjaardagsfeestjes of op de camping wordt gespeeld.

Persoon 1 schetst de wereld. De hoofdpersoon, de cultuur, de locatie, het jaar waarin wij leven, etc. Persoon 2 vult dan de volgende stap in: de roep om avontuur. Dit kan allerlei vormen hebben. Je fantasie kent geen grenzen. Persoon 3 beschrijft dan de volgende stap: De held weigert de oproep. Hij/zij ontkent het probleem, heeft last van eksterogen, wil haar kinderen niet in de steek laten, etc. Alweer: hoe meer fantasie, hoe leuker. En zo gaat het verder. Tot aan de terugkeer met het geschenk, de waardevolle ervaring.

Wat nog helpt is dan om vooraf alvast even na te denken over de boodschap (wat wil je eigenlijk vertellen met je verhaal), over het verhaalperspectief, (wie vertelt het verhaal?) en de cultuur waarin het verhaal zich afspeelt. Bij dit laatste kun je bijvoorbeeld denken aan muziek, kunst, religie, vrijetijdsbesteding, politiek en geschiedenis, en hoe de veranderingen in die gebieden invloed kunnen hebben gehad op ras, gelijkheid van geslachten en andere factoren die van invloed zijn op het dagelijks leven.

Eventueel kun je ook de uitdaging of het conflict vooraf goed doordenken. Het conflict is de belangrijkste drijvende kracht binnen het verhaal en er zijn diverse soorten conflict waar je uit kunt kiezen, afhankelijk van het soort verhaal dat je wilt vertellen. Het type conflict is een duidelijke aanwijzing voor de lezer voor wat jij ziet als een belangrijke boodschap van het verhaal en wat voor  thema’s ze eruit kunnen halen.

Een voorbeeld van een conflict is de strijd van Mens tegen de Natuur. Bijvoorbeeld kan het verhaal gaan over een vrouw die gestrand is op een onbekende planeet, maar andere mogelijke conflicten waar je aan kunt denken zijn; mens tegen bovennatuurlijke krachten, mens tegen andere mens(en), mens tegen samenleving en mens tegen zichzelf.

Afhankelijk van de doelstelling en de onderzoeksvraag kun je voor het uitwerken van de scenario’s dus allerlei verschillende aanpakken kiezen. Het doel van dit alles is echter duidelijk. Probeer zo veel mogelijk onverwachte – maar niet onmogelijke – gebeurtenissen in kaart te brengen die invloed kunnen hebben op het onderwerp in je onderzoeksvraag.

Les 84: er bestaan verschillende typen scenario’s. Voor toekomstverkenningen zijn vooral de volgende 3 typen van belang: planningsscenario’s, verwachtingenscenario’s en verkennende scenario’s.

Les 85: verkennende of exploratieve scenario’s zijn bedoeld om de onverwachte en ongedachte toekomsten te verkennen.

Les 86: de assenkruismethode levert via een simpele gestructureerde methode 4 verschillende scenario’s.

Les 87: de afkorting STEEP staat voor Sociaal, Technologisch, Economisch, Ecologische en Politiek. Dit zijn belangrijke aandachtspunten die in iedere toekomstverkenning thuishoren. Er zijn ook uitgebreidere varianten in gebruik zoals DESTEP waarbij de D staat voor Demografie.

Les 88: naast de assenkruismethode zijn er verschillende meer intuïtieve methoden ontwikkeld, waarbij ruimte is voor meer dimensies van verandering.


[1] https://nl.wikipedia.org/wiki/Joseph_Campbell