Zoals we in het eerste deel zagen gaan veel mensen er impliciet van uit dat er maar één toekomst zal zijn, namelijk die ene waarin we straks allemaal zullen leven. Tegelijkertijd weten we allemaal ook wel dat er afhankelijk van de keuzes die we in het heden maken, verschillende mogelijke toekomsten kunnen ontstaan. Als je bijvoorbeeld zou besluiten om volgende week naar India te verhuizen, dan zou jouw toekomst er echt heel anders uitzien dan als dat je toch maar hier zou blijven wonen. Ook de keuzes die anderen maken kunnen jouw toekomst verregaand beïnvloeden. Welke toekomst je uiteindelijk zult meemaken, hangt dus af van de keuzes die jij en anderen nu, in het heden maken, en van de keuzes die jij en de anderen straks in de toekomst zullen maken.
Naarmate we nu verder van het heden af komen, zullen er ook steeds meer verschillende toekomsten mogelijk zijn. Futurologen gebruiken daarom het beeld van een liggende trechter of kegel om dit duidelijk te maken. De toekomstentrechter, of -kegel of ook wel de ‘future cone’[1]. De linker punt van deze trechter staat dan voor het heden, daar zitten we nu, en naar rechts wordt die trechter steeds breder. Er komt dus steeds meer onzekerheid over hoe de toekomst er dan uit zal zien. Ofwel er komen steeds meer verschillende mogelijke toekomsten.
In een plaatje hierboven zie je zo’n toekomstenkegel of -trechter. In de trechter zie je alle mogelijke toekomsten, daarbuiten de onmogelijke toekomsten. Midden in de trechter staan dan de verwachte mogelijke toekomsten, de type III toekomsten zoals je die tegenkomt in officiële rapporten, toekomstplannen van bedrijven en andere organisatie. Dat zie je in het plaatje hieronder.
Om de verwachte toekomsten heen zie je de aannemelijke toekomsten, waarvan de meeste mensen zullen zeggen: “dat zou ook best nog kunnen gaan gebeuren, dat zou mij niet verbazen”. Daarom heen vinden we dan de minder aannemelijke toekomsten die toch ook nog wel mogelijk zouden kunnen zijn.
Deze toekomstentrechter of -kegel maakt dus duidelijk dat er veel meer mogelijke toekomsten zijn dan de ene die wij nu verwachten, hopen of vrezen.
De meeste van ons zijn geneigd de toekomst toch te zien als een vrij voorspelbare voortzetting van het heden, het type III toekomstbeelden uit blok 2. Bij een bedrijf is het bijvoorbeeld moeilijk om je voor te stellen dat het bestverkopende product over 10 jaar wel eens totaal overbodig zou kunnen zijn. Of privé, dat je dan misschien wel schatrijk zou kunnen zijn (of gescheiden of misschien wel dood).
Het helpt daarom om in de toekomstkegel eerst de te verwachten toekomsten te tekenen en dan daaromheen andere mogelijke toekomsten. Bijvoorbeeld de komst van een concurrent uit de USA of een nieuwe uitvinding die jouw product overbodig maakt. Daaromheen kun je dan nog meer theoretisch mogelijke (dus ook de onwaarschijnlijke) toekomsten tekenen, de type I, II en IV-toekomstbeelden. Bijvoorbeeld toekomsten waarbij de wereld in een grote oorlog terecht is gekomen of waarbij je zo veel geld hebt verdiend of gewonnen dat je nooit meer zou hoeven te werken. Dan krijg je een plaatje zoals hierboven met de te verwachten toekomsten en daarom heen alle andere mogelijke toekomsten. Dit visualiseert dan opnieuw onze hier-en-nu bijziendheid.
In de toekomstentrechter passen dus ook de belachelijke of wildcard toekomsten, de zwarte zwanen toekomsten en de wenselijke toekomsten.
We zagen in blok 2 al dat er achter de belachelijke toekomsten een diep inzicht zit. Dat veel uitspraken die in het verleden als belachelijk werden weggezet, achteraf toch bleken uit te komen. Denk maar eens aan de val van muur, het einde van de apartheid, de komst van een zwarte president van de USA, het homohuwelijk, de bankencrisis van 2007 en zo kunnen we nog een tijdje doorgaan. Allemaal zaken die ooit hoogst onwaarschijnlijk leken, totdat ze opeens toch gewoon gebeurden. In blok 2 kwamen we dit inzicht tegen in ‘de Wet van Dator’: “Elke nuttige uitspraak over de toekomst moet op het eerste gezicht belachelijk lijken en zelfs hoongelach oproepen”.
Dit inzicht zit ook achter de zwarte zwanen toekomsten. Deze zwarte zwanen kunnen als ze toch zouden verschijnen van grote invloed zijn op ons leven, onze organisatie of onze maatschappij. Daarom hoort bij iedere toekomstverkenning een onderzoek naar mogelijke zwarte zwanen.
Je kunt de zwarte zwanen herkennen doordat zij aan de rand van de mogelijke toekomsten liggen. Zij vormen daardoor de rand van de trechter.
De laatste verfijning die wij bespraken waren de wenselijke toekomsten. Ook deze liggen ergens binnen de mogelijke toekomsten, maar hoeven niet samen te vallen met de waarschijnlijk of zelfs de aannemelijke toekomsten. Maar daar kun je wel aan werken. Een bekende uitspraak luidt dan ook: ‘De beste manier om de toekomst te voorspellen is hem zelf te maken’.
Dan nu de vraag hoe we de toekomstentrechter kunnen gebruiken om tot betere toekomstvoorspellingen te komen. Als voorbeeld neem ik de komst van de zelfsturende auto, de auto-auto, ofwel de AV, the Autonomous Vehicle. Veronderstel eens dat je wilt onderzoeken hoe de omschakeling van gewone auto’s naar volledig zelfsturende robotauto’s zou kunnen gaan verlopen. We tekenen dan allereerst een kegel die begint in het heden en dan in de loop der tijd steeds breder wordt.
Er ontstaat in de loop der tijd immers steeds meer onzekerheid en er zijn dus steeds meer verschillende toekomsten mogelijk. In die kegel plaatsen we dan een aantal relevante mogelijke gebeurtenissen. Bijvoorbeeld een forse prijsdaling van de robotauto’s. Dat is een goed denkbare ontwikkeling omdat zelfsturende auto’s (waarschijnlijk) zullen leiden tot veel minder ongelukken. Dan hebben ze ook geen kreukelzones meer nodig en kunnen we ook volstaan met veel lichtere materialen. Verder zullen de AV’s natuurlijk ook EV’s (Electrical Vehicles) zijn en zoals we weten hebben elektrische auto’s veel minder bewegende onderdelen dan fossiele auto’s en zijn ze veel goedkoper in het onderhoud.
Zo’n grote prijsdaling zou dan wel eens kunnen leiden tot een massaal gebruik van zelfsturende EV’s. Dit zou dan weer kunnen leiden tot massale trek naar de goedkopere, groenere gebieden buiten de randstad. Waarom zou je nog in zo’n overvolle dure stad blijven wonen als je je voortaan ook kunt verplaatsen in een zelfrijdende auto? Lekker forensen in je zelfrijdende huiskamer is toch veel aangenamer dan regelmatig uren in de trein of in de file te moeten staan.
Maar er is ook een ander scenario denkbaar. Zelfsturende auto’s zouden best ook wel eens heel duur kunnen blijven. Dit zou dan kunnen leiden tot bredere invoering van deelauto- concepten zoals Uber of Freewheels. In de video bij dit blok gaf ik als voorbeeld een mogelijke omslag in de publieke opinie, ten gunste of juist ten nadele van de robotauto. Als er vlak achter elkaar een aantal grote ongelukken plaats vindt met zelfrijdende auto’s, zou dat wel eens een flinke terugslag in de acceptatie van de robotauto kunnen veroorzaken. Omgekeerd zou het ook wel kunnen dat we op een gegeven moment niet meer accepteren dat mensen zelf autorijden. Mensen zijn immers gevaarlijk achter het stuur. Dat zou een omslag in positieve zin kunnen veroorzaken. Dat zou ook kunnen als verzekeringsmaatschappijen de premie drastisch gaan verlagen voor autorijders in een auto-auto. Allemaal opties die mogelijk zouden kunnen zijn.
Zo’n mogelijk alternatief – het wordt A of B, een omslag ten gunste of juist ten nadele, ofwel een bifurcatie, en in normaal Nederlands een tweesprong – zorgt voor een alternatieve toekomst. In de praktijk van het toekomstonderzoek komen zulke bifurcaties voortdurend voor. Soms hebben ze hele grote gevolgen voor het systeem waarin ze optreden, soms zijn de gevolgen minder van belang, maar altijd gaat het om onomkeerbare gevolgen die leiden tot een andere toekomst.
Een te nauwe kegel is hierbij gevaarlijker dan een te brede. Een brede kegel laat misschien wel veel ruimte voor onzekerheid, maar die kun je later stap voor stap inperken en een brede kegel laat voldoende ruimte om allerlei gebeurtenissen en de reacties daarop te onderzoeken. Een te nauwe kegel doet dat niet, waardoor je het risico loopt later te worden overvallen door allerlei onprettige verrassingen. Of je mist dan misschien belangrijke kansen die in het verschiet liggen.
Een goede toekomstenkegel perkt de ruimte in waarbinnen je uiteindelijk tot een beslissing moet komen. De toekomstenkegel laat je ook mogelijkheden zien die je anders wellicht over het hoofd zou zien. En last but not least legt een goede toekomstenkegel ook nog eens verborgen aannames en ‘wensdenken’ bloot.
De rand van de kegel vind je door te zoeken naar hoogst onwaarschijnlijke gebeurtenissen met een mogelijk heel grote impact, de ‘zwarte zwanen’ die toch nog wel zouden kunnen gebeuren. Net buiten de kegel komen dus de echt onmogelijke gebeurtenissen te liggen, net binnen de kegel de hoogst onwaarschijnlijke. Hierbij moeten we ons niet te veel op die rand concentreren. Hoe dichter bij het centrum, hoe waarschijnlijker de gebeurtenissen en die kunnen vaak ook een heel grote impact hebben. Die waarschijnlijkheid en de impact kun je proberen te kwantificeren door deskundigen (maar niet alleen hen!) te vragen een procentuele inschatting te geven. Hiervoor zijn ook weer allerlei instrumenten beschikbaar, zoals de Delphi- en de Monte Carlo-analyse, maar ook gewone interviews en enquêtes kunnen al heel veel nuttige informatie opleveren.
Hoe kom je nu aan de vulling van de trechter? Het toekomstenwiel, het impactwiel, of ook wel het futurewheel[2], is een eenvoudig maar heel effectief instrument om de verbanden binnen een systeem in beeld te brengen. Het toekomstwiel doet denken aan een mindmap, zowel wat werkwijze als wat vorm betreft.
Een toekomstwiel gaat uit van een te onderzoeken verschijnsel, gebeurtenis of trend. Deze plaats je in de as van het wiel.
Vervolgens bedenk je de mogelijke directe gevolgen van dit verschijnsel of deze gebeurtenis. Deze worden dan om de as heen gegroepeerd als de spaken van een wiel. Dit zijn dan de zogeheten eerste-orde-effecten. Tussen deze effecten kunnen dan ook nog dwarsverbanden worden gelegd, zodat een verknoopt netwerk van effecten ontstaat. Dit kun je het best doen met een groepje mensen, liefst ook nog eens afkomstig uit verschillende sectoren of verschillende afdelingen van de organisatie.
Daarna herhaal je dit procedé voor de effecten van de effecten, de zogenaamde tweede-orde-effecten, voor derde-orde-effecten, of misschien zelfs nog vierde-orde-effecten. Meestal zijn twee of drie lagen genoeg om de belangrijkste mogelijke gevolgen van een gebeurtenis of trend in beeld te brengen. Op deze wijze kan je snel, een compact en visueel overzichtelijk netwerk in kaart brengen van mogelijke gevolgen van een besluit, of een nieuwe techniek, of een maatschappelijke trend.
Laat ik ook dit instrument illustreren met een concreet voorbeeld. Ik neem dan als trend de verdere ontwikkeling van de techniek. Een waarschijnlijk (maar niet zeker!) gevolg daarvan zou kunnen zijn dat de materiele welvaart verder zal stijgen. Een tweede waarschijnlijk gevolg is dat de meesten van ons langer zullen leven. Dat zijn dan 1e orde effecten. Tot zover is alles redelijk aannemelijk.
Dan komen we bij de 2e orde effecten. Bij stijgende welvaart zien we meestal dat het aantal kinderen per vrouw sterk daalt. Vrouwen krijgen dus minder kinderen en ze leven ook nog eens langer. Als de belangrijkste functie van de vrouw niet langer het baren en opvoeden van de kinderen is, zal dat waarschijnlijk gevolgen hebben voor de positie van de vrouw. De 2e orde effecten werken dan door in de waarden en normen in de samenleving. Dit vertaalt zich dan bijvoorbeeld in toenemende spanning tussen patriarchaal denkenden en conservatieven aan de ene kant en progressieven en feministen aan de andere kant. Maar niet alleen de man-vrouw verhoudingen zullen dan mogelijk veranderen.
Als mensen langer leven en de welvaart stijgt, zal mogelijk ook het traditionele huwelijk steeds meer onder druk komen te staan. Mensen zullen wellicht vaker scheiden en tijdens hun langere levens vaker meerdere partners hebben. Dit heeft dan wellicht weer zijn uitwerking op de normen op seksueel gebied. Zeker als vrouwen zich meer ontworstelen aan de normen uit de patriarchale samenlevingen.
Misschien zullen ook de verhoudingen tussen de generaties veranderen. Mensen zullen immers steeds meer gewend raken aan het omgaan met ouders en kinderen die al lang niet meer tot hun eigen kerngezin behoren. Kinderen zullen nog omgaan met hun ouders terwijl ze zelf ook misschien al in de zestig zijn en hun ouders in de 90.
Dit zijn voorbeelden hoe de technologische ontwikkeling kan doorwerken op sociaal gedrag en op de normen en waarden op gebieden als de verhouding man-vrouw, het huwelijk, seksualiteit, en de omgang tussen verschillende generaties.
Maar dan zijn we er nog niet. Een daling van de geboortecijfers zal ook gevolgen hebben voor de bevolkingsopbouw. Verdere daling van de geboortecijfers betekent wellicht een einde aan de bevolkingsgroei. Demografisch gaan we dan van een piramide naar een paddenstoel grafiek. Dit heeft dan waarschijnlijk weer gevolgen voor de consumentenvraag, criminaliteitscijfers (ouderen zijn tot op heden doorgaans minder crimineel), de behoeften aan onderwijs en educatie, gezondheidszorg, etc. Dat zien we nu al in de EU en China. En dat heeft weer gevolgen voor de omvang van de beroepsbevolking. Wellicht ontstaan er tekorten op de arbeidsmarkt, wat weer kan leiden tot een andere houding tegenover immigratie.
Een kleiner arbeidspotentieel betekent vaak ook een kleiner militair potentieel. Dit heeft dan wellicht weer uitwerking op de internationale verhoudingen. We zijn dan intussen al beland in de 3e orde effecten. Die effecten worden overigens steeds onzekerder. Misschien worden die tekorten op de arbeidsmarkt wel gecompenseerd door de komst van bots en robots, of misschien gaan we helemaal niet langer leven, doordat euthanasie een geaccepteerd verschijnsel wordt, of doordat we intussen geteisterd worden door onbehandelbare ziekten en niet meer werkzame antibiotica.
De volgende stap is dan om de mogelijke relaties in kaart te brengen tussen de verschillende gebeurtenissen. In welke mate lokt het een het ander uit? Zijn hier mogelijke paden in te ontdekken, zogeheten pad afhankelijke ontwikkelingen? Als A dan B, maar niet meer D? Dat zijn dan de bifurcaties, waar we het eerder over hadden. En zijn er wellicht indicatoren van veranderingen? Zwakke signalen? Welke onderliggende krachten zijn er? Denk aan de behoeften van de consument, aan de wetmatigheden van de economie en van de technologie.
De toekomstentrechter en het toekomstenwiel gebruiken we nu om mogelijke scenario’s te maken. We komen dan bij het bekendste en misschien wel meest gebruikte instrument van de toekomstonderzoeker: de scenario’s. In de kern zijn toekomstscenario’s niet meer dan verhalen die zich afspelen in mogelijke toekomsten. Maar in de futurologie dienen deze verhalen om de mogelijke gevolgen van belangrijke keuzes of gebeurtenissen te kunnen onderzoeken en te laten zien. Scenario’s kunnen we gebruiken om nieuwe informatie, nieuwe mogelijkheden en nieuwe uitdagingen te ontdekken over alle soorten onderwerpen, onzekerheden en kritische kwesties. We zeggen dan ook wel dat scenario’s dienen om de fantasie en ons voorstellingsvermogen te prikkelen en op te rekken.
Scenario’s kun je ook gebruiken om alvast te oefenen met mogelijke toekomsten. Wat zou er allemaal kunnen gebeuren in de toekomst? Hoe zou je dan reageren? En natuurlijk kun je scenario’s ook gebruiken om de dialoog aan te gaan over de mogelijke toekomsten. Wat is zoal mogelijk? Is dat wenselijk of onwenselijk? Scenario’s hebben dus vele functies. We noemen het wel het werkpaard voor de toekomstonderzoeker.
Er bestaan vele soorten scenario’s. We kennen allemaal het filmscenario, je kent wellicht ook de scenario’s van het CPB waarin ze aan de hand van economische modellen proberen te berekenen hoe het de komende jaren met onze economie zal gaan en je hebt misschien ook wel eens kennisgemaakt met planningsscenario’s. Scenarioplanning is zelfs een aparte richting binnen het toekomstonderzoek waarbij men niet alleen probeert de plausibele toekomsten in beeld te brengen, maar ook de meest wenselijke reacties daarop. Veiligheidshalve gaat het hierbij meestal over korte termijn scenario’s tot hooguit enkele jaren vooruit.
Scenario’s kunnen vele vormen aannemen, zoals een documentaire, de beschrijving van een dag in het leven ergens in de toekomst, de beschrijving van een wereld waarin een nieuw product of een nieuwe dienst bestaat, een verslag of een historisch verslag, een krant uit de toekomst, of zelfs een Excel sheet vol met getallen.
Scenario’s zijn altijd een mix van onderbouwde feiten en creatieve extrapolaties. Een goed scenario stelt de lezer, luisteraar of kijker in staat om een mogelijke toekomst te begrijpen op een manier die nieuwe inzichten oplevert. Goede scenario’s zijn logisch samenhangend en intern consistent, met feiten en fictionele gebeurtenissen en met aandacht voor de mens en hoe hij of zij zal reageren op die feiten en fictionele gebeurtenissen.
Tot slot van dit blok wil ik eerst nog even teruggaan naar de toekomstenkegel over de zelfsturende, autonome of wel auto-auto. We zagen daar een bifurcatie met twee toekomstentrechters, toekomst A en toekomst B. Dit zijn dus twee mogelijke scenario’s. Plaatsen we deze twee scenario’s in een volledige toekomstentrechter dan krijgen we plaatje zoals hieronder.
Scenario’s kunnen behoorlijk provocerend zijn, op het eerste gezicht zelfs belachelijk, maar zullen als ze echt goed zijn een diepere betrokkenheid en een dieper begrip oproepen. Goede scenario’s zijn gebaseerd op de realiteit van vandaag, maar maken een sprong naar nieuwe ongedachte en onverwachte toekomsten.
Het maken van een goed scenario is een vaardigheid die je moet ontwikkelen. Het vraagt naast domeinkennis en systeemkennis ook creativiteit en ervaring in het maken van scenario’s.
Als we dat allemaal hebben gedaan, zijn we nog niet klaar. We hebben dan wel zo veel mogelijk onzekerheden zo goed mogelijk in kaart gebracht en we kunnen zo op basis van ingeperkte onzekerheid betere besluiten nemen, maar de toekomst staat nooit stil. Morgen komen er wellicht weer heel nieuwe ontwikkelingen op de radar, waar we helemaal niet aan hebben gedacht, maar die alles anders maken. De val van de muur, 9/11, een doorbraak in AI, of in gentech. Dat kan alle verzamelde inzichten weer overhoopgooien. Een toekomstverkenning moet daarom steeds worden geactualiseerd en is nooit definitief.
In blok 13: ‘werken met scenario’s’ zullen wij straks kennismaken met enkele eenvoudige methodes om zelf bruikbare scenario’s te maken.
Les 76: de toekomstenkegel of -trechter is een instrument om de mogelijke toekomsten in beeld te brengen.
Les 77: we onderscheiden de effecten van een gebeurtenis in effecten van de 1e orde, 2e orde, 3e orde en zo verder.
Les 78: het toekomstwiel is een instrument om de 1e, 2e 3e en eventueel 4e orde effecten in kaart te brengen.
Les 79: toekomstenkegels of- trechters en toekomstenwielen maak je bij voorkeur met een divers samengestelde groep.
Les 80: scenario’s zijn verhalen die zich afspelen in de toekomst.
Les 81: goede scenario’s zijn een combinatie van onderbouwde feiten en creatief extrapoleren.
Les 82: scenario’s kunnen vele functies hebben. Oprekken van de fantasie, ontdekken van ongedachte en onverwachte toekomsten, oefenen met mogelijke nieuwe toekomsten etc.
Les 83: scenario’s kunnen vele vormen hebben. Verhalen, moodboards, puntenlijstjes, rekenmodellen etc.
[1] Deze toekomsten kegel is vooral bekend geworden door de Australische toekomstonderzoeker Dr.Joseph Voros. https://thevoroscope.com/2017/02/24/the-futures-cone-use-and-history/
[2] https://en.wikipedia.org/wiki/Futures_wheel