Zeepbellen met een erfenis
Dat klinkt vreemd, maar de geschiedenis laat het keer op keer zien. Rond 1850 ontstond een spoorwegmanie. Beleggers pompten fortuinen in spoorlijnen die nooit rendabel werden. Rond 1900 gold hetzelfde voor elektriciteitsmaatschappijen. En aan het einde van de vorige eeuw leek internet elk bestaand verdienmodel overbodig te maken. Elke keer spatte de financiële zeepbel uiteen. Maar elke keer bleef er iets veel waardevollers achter: een infrastructuur waarop een nieuwe economie kon ontstaan. Daarom ben ik optimistisch over kunstmatige intelligentie. Niet over de huidige AI-hype, maar over wat daarna komt.
Vandaag worden honderden miljarden geïnvesteerd in datacenters, chips en software. Die investeringen zijn uiteindelijk gebaseerd op één veronderstelling. AI gaat werknemers vervangen. Bedrijven kunnen straks voor een fractie van de loonkosten hetzelfde werk laten doen. Dat verhaal hoor je zo vaak dat het bijna vanzelfsprekend is geworden. Toch zijn daar goede redenen om daaraan te twijfelen.
Beperkingen van AI
Allereerst is er een heel praktisch probleem. De sprong naar werkelijk betrouwbare intelligentie is minder vanzelfsprekend dan vaak wordt aangenomen. Meer rekenkracht en meer trainingsdata maken AI misschien wel beter in het voorspellen van woorden. Maar dat betekent nog niet dat AI vanzelf uitgroeit tot een systeem dat ieders werk kan overnemen.
Een groeiend deel van de beschikbare trainingsdata bestaat inmiddels uit teksten die eerder door AI zijn geschreven. Het systeem leert dus steeds vaker van zichzelf. Dat is te vergelijken met een bibliotheek waarin steeds meer boeken samenvattingen zijn van andere samenvattingen. Het is een vorm van digitale inteelt, met vergelijkbare gevolgen. Onderzoekers spreken inmiddels over een serieus probleem. Overtuigende oplossingen zijn er nog niet.
De eerste praktijkervaringen wijzen in dezelfde richting. Advocaten moesten zich verantwoorden voor pleitnota’s waarin AI verzonnen jurisprudentie had opgenomen. Bedrijven die enthousiast personeel ontsloegen omdat AI het werk zou overnemen, moesten halsoverkop proberen hun medewerkers weer terug te krijgen. De werkelijkheid blijkt voorlopig weerbarstiger dan de presentaties van Silicon Valley.
Belegde broodjes
Dan is er in de discussies over AI en werkgelegenheid vaak sprake van een denkfout. We praten over banen alsof ze uit één stuk bestaan. Alsof een AI een accountant, jurist of arts simpelweg kan vervangen. Dat is echter een ernstig misverstand. Een baan is eerder als een belegd broodje. Een onderkant, een bovenkant, en daartussen het beleg.
De onderkant is het eerste contact. Iemand moet luisteren, de juiste vragen stellen, de context begrijpen, bepalen wat er eigenlijk nodig is. Dat vraagt vertrouwen, inlevingsvermogen, oordeelsvermogen. Het beleg is de uitvoering — een analyse maken, een tekst schrijven, een berekening uitvoeren, informatie opzoeken. Dát deel kan AI vaak overnemen. De bovenkant is de beoordeling. Iemand moet de uitkomst uitleggen, verantwoordelijkheid nemen, de beslissing plaatsen in de context van een klant, patiënt, collega of rechter. Ook dat vraagt om menselijke afwegingen. AI levert dus geen belegde broodjes. Het automatiseert het beleg. Wie alleen naar het beleg kijkt, ziet banen verdwijnen. Wie naar het hele broodje kijkt, ziet werk van inhoud veranderen: van uitvoeren naar begrijpen, beoordelen, verantwoordelijkheid dragen.
Maar stel dat een broodjeszaak nu een machine koopt die het beleg in een fractie van de tijd verwerkt — honderd broodjes per minuut in plaats van tien. Een indrukwekkende innovatie. Alleen: als er die dag maar tweehonderd klanten langskomen, verandert er weinig. De machine belegt sneller, maar de vraag naar broodjes groeit er niet door. De zaak blijft zitten met een schitterende machine én een stapel onverkocht beleg. Dat is de tweede denkfout achter de AI-hype. Dat een AI in een uur duizend rapporten kan schrijven, betekent niet dat er behoefte is aan duizend rapporten. Doorgaan is niet de productiecapaciteit de beperkende factor, maar de vraag.
Als de bubbel barst
Het is dus een vergissing om te denken dat meer rekenkracht en meer trainingsdata automatisch zullen leiden tot digitale collega’s die vrijwel al ons werk kunnen overnemen. Toch maakt juist dát mij optimistisch.
Want als de financiële verwachtingen niet uitkomen, zal de bubbel barsten. Of dat morgen gebeurt of pas over vijf jaar, weet niemand. Op dat moment mogen we een wereldwijde beurscrash verwachten waarbij heel veel mensen hun geld kwijt zullen zijn. Maar de chips, de datacenters en de glasvezelverbindingen verdwijnen dan natuurlijk niet. Die blijven gewoon bestaan. En dan komt er iets veel interessanters in beeld. Als samenleving krijgen we dan toegang tot een ongekend krachtige en goedkope digitale infrastructuur. Dan verschuift de vraag van “hoe vervangen we mensen?” naar “welke problemen kunnen we oplossen die gisteren nog onoplosbaar waren?” Dit biedt ongekende kansen voor ontwikkelaars, wetenschappers, kunstenaars, artsen en maatschappelijke organisaties.
Maar daarmee dient zich meteen een nieuwe vraag aan. Wat gebeurt er met de AI-infrastructuur als de financiële rook is opgetrokken? Van wie wordt die nieuwe digitale infrastructuur eigenlijk? Wie bepaalt straks wie toegang krijgt tot al die rekenkracht, datacenters en AI-platforms? Daar ligt de echte uitdaging voor beleidsmakers. Niet alleen om noodplannen klaar te hebben voor te verwachten economische schok, maar vooral om na te denken over wat er ná de bubbel gebeurt. Na een golf van faillissementen, fusies en saneringen dreigen datacenters, AI-platforms en enorme hoeveelheden rekenkracht dan voor een habbekrats in handen te vallen van een klein aantal dominante spelers. Dat zou een historische gemiste kans zijn.
Juist dan zouden overheden ervoor moeten zorgen dat die infrastructuur ook beschikbaar komt voor universiteiten, scholen, ziekenhuizen, wetenschappelijke instellingen, maatschappelijke organisaties en innovatieve startups. Niet door alles te nationaliseren, maar door nu al spelregels te ontwikkelen die open toegang, publieke beschikbaarheid en een eerlijke doorstart mogelijk maken.
Technologische bubbels laten altijd twee erfenissen na: een financiële kater en een nieuwe infrastructuur. Dat is de ironie van zulke technologische revoluties. De speculanten betalen de infrastructuur; de samenleving kan er vervolgens de vruchten van plukken.
Peter van der Wel (12026)
PS: Vanuit mijn achtergrond als econoom en toekomstonderzoeker kijk ik naar technische ontwikkelingen in een bredere maatschappelijke context. Vandaar deze economisch-politieke beschouwing over de economie na de AI-Bubbel.
Dit artikel verscheen eerder in Civis Mundi Augustus 2026.
Ben je het eens met de boodschap van deze blog? Post hem op de socials en/of stuur hem door naar een collega of vriend waarvan je denkt dat ze hem ook interessant zullen vinden! Kreeg je ’m zelf doorgestuurd? Abonneer je hier gratis op nieuwe blogs.
PPS: Reacties zijn welkom. Je kunt ze mailen naar mijn mailadres.
