(leestijd 15 minuten)
Het falen van het intellectueel eigendomsrecht in het digitale tijdperk
In Kenia sterft een kind aan malaria, niet omdat er geen geneesmiddel is, maar omdat het patent op dat medicijn in handen is van een Westers farmabedrijf. Intussen betaalt een Nederlandse student honderden euro’s voor een studieboek dat met belastinggeld is ontwikkeld. En de New York Times sleept OpenAI voor de rechter omdat een AI-model ‘haar’ artikelen heeft gelezen.
Er is iets fundamenteel mis met de manier waarop we kennis behandelen: alsof het een schaars goed is, terwijl het in werkelijkheid overvloedig beschikbaar kan zijn. We leven in een tijdperk waarin het kopiëren van een boek, een muziekstuk of een wetenschappelijk artikel technisch gezien bijna niets meer kost. Nul euro, nul joule, nul seconde wachttijd. Iets klopt hier niet.
Dat gevoel van ongemak is niet sentimenteel. Het is economisch. Wie naar kennis kijkt met de ogen van een econoom, ziet al snel dat we de verkeerde spelregels toepassen op een product dat zich fundamenteel anders gedraagt dan een auto of een brood. Die mismatch kost ons welvaart – en de rekening wordt al decennia doorgeschoven
De digitale revolutie heeft het spanningsveld tussen makers en samenleving vergroot. Wat ooit beheersbaar was, is nu een structureel conflict: de technologie maakt overvloed mogelijk, maar de spelregels houden kunstmatige schaarste in stand.
En nu dient zich een derde ontwikkeling aan die het debat fundamenteel van karakter verandert. Generatieve kunstmatige intelligentie maakt het niet alleen makkelijker om kennis te verspreiden – ze begint kennis zelf te produceren. Geautomatiseerde onderzoekslabs die zonder menselijke tussenkomst hypothesen genereren en testen, zijn geen sciencefiction meer – ze bestaan al in de farmaceutische en materiaalwetenschappen. Als de machine niet alleen kopieert maar ook componeert, teksten genereert, en ontdekt en uitvindt, dan is de vraag niet langer hoe lang we kennis kunnen en moeten beschermen. Dan wordt de vraag: wie beschermen we eigenlijk nog, en waartegen?
Dit artikel beschrijft drie fasen in die ontwikkeling. Eerst het pre-digitale tijdperk waarin intellectueel eigendom economisch nog begrijpelijk was. Daarna de digitale revolutie, waarin kunstmatige schaarste steeds moeilijker houdbaar werd. En tenslotte het AI-tijdperk, waarin zelfs de oorspronkelijke rechtvaardiging van intellectueel eigendom begint te verdwijnen Het doet concrete voorstellen voor de eerste twee fasen en stelt de vragen die voor de derde fase nog onbeantwoord zijn.
Kennis is anders dan andere goederen
In dit essay gebruik ik de term kennis als verzamelbegrip – voor wetenschappelijke inzichten, maar ook voor kennisproducten zoals muziek, films, games en boeken. In de Angelsaksische wereld heet dit geheel content. De economische logica die ik hier bespreek geldt voor al deze vormen.
In de economie maken we onderscheid tussen rivaliserende en niet-rivaliserende goederen. Een boterham is rivaliserend: als ik hem opeet, heb jij er geen meer. Maar de stelling van Pythagoras is dat niet: als ik haar gebruik, kun jij haar ook nog steeds gebruiken. Kennis is niet-rivaliserend – sterker nog, het vermenigvuldigt zich door te delen. Elke wetenschapper bouwt voort op voorgangers, elke componist put uit eerdere muziek, elke uitvinder staat op de schouders van anderen. Niemand creëert in een vacuüm
Daarnaast is kennis, zodra zij openbaar is gemaakt, moeilijk uitsluitbaar: het is moeilijk te voorkomen dat anderen er gebruik van maken. Economen noemen goederen met deze twee eigenschappen – niet-rivaliteit en niet-uitsluitbaarheid – collectieve goederen. Straatverlichting, defensie, dijken: ze staan iedereen ten dienste, ongeacht of je er wel of niet aan hebt meebetaald.
Kennis is zelfs een collectieve goed bij uitstek. Als kennis eenmaal is geproduceerd, kost het namelijk vrijwel niets om het daarna te vermenigvuldigen en ter beschikking te stellen aan de gebruikers.
Kortom; kennis is fundamenteel anders dan fysieke goederen: het is niet-rivaliserend, niet-uitsluitbaar, en groeit juist door delen. Toch behandelen we het alsof het een schaars product is.
Het maatschappelijke belang van kennisproductie en verspreiding
Als samenleving hebben we een direct en fundamenteel belang bij zowel het stimuleren van kennisproductie als het bevorderen van de verspreiding ervan. Nieuwe inzichten, ontdekkingen en creatieve uitingen vormen de motor achter economische groei, technologische vooruitgang en culturele ontwikkeling. Zonder productie van nieuwe kennis en andere intellectuele voortbrengselen — van wetenschappelijk onderzoek tot muziek, films en digitale toepassingen — zou innovatie stilvallen en zou vooruitgang stagneren.
Maar productie alleen is niet voldoende. De waarde van kennis en informatie ontstaat juist in het gebruik: in de toepassing, de verspreiding en het voortbouwen daarop door anderen. Een medisch inzicht redt pas levens wanneer het wordt gebruikt. Een technologische doorbraak krijgt pas betekenis wanneer zij wordt toegepast. En een cultureel werk raakt pas als het zijn publiek bereikt.
Daarom is niet alleen de productie, maar juist ook de verspreiding en de toegankelijkheid van kennis en andere vormen van content van doorslaggevend belang. Een systeem dat kennis effectief weet te stimuleren én tegelijkertijd breed beschikbaar maakt, maximaliseert de maatschappelijke opbrengst. Een systeem dat productie beloont maar verspreiding belemmert, doet dat niet.
Toch houden we vast aan een systeem dat kennis behandelt alsof het een privé-bezit is en kennis schaars houdt: het intellectueel eigendomsrecht. Een systeem dat productie beloont maar verspreiding belemmert, mist zijn doel.
Een systeem dat schaarste fabriceert
Neem het auteursrecht. In de meeste landen geldt dit zeventig jaar na de dood van de auteur – een termijn die economisch moeilijk te rechtvaardigen is. Een auteur heeft zijn investering dan immers allang terugverdiend (of niet). De echte winnaars van zo’n lange termijn zijn erfgenamen en mediaconglomeraten die de rechten hebben opgekocht. Het is dan ook geen toeval dat de VS de auteursrechttermijn herhaaldelijk verlengde wanneer de rechten op Mickey Mouse dreigden te vervallen – vandaar de bijnaam ‘Mickey Mouse Wet’. (Ironisch genoeg baseerde Walt Disney zijn iconische muis juist op een niet-beschermd stripfiguurtje).
De huidige termijn van zeventig jaar na de dood van de auteur – in de praktijk al snel meer dan een eeuw na publicatie – is economisch moeilijk te rechtvaardigen vanuit het perspectief van innovatieprikkels. Investeringsbeslissingen worden immers genomen op basis van verwachte opbrengsten binnen enkele jaren of hooguit decennia, niet binnen een tijdshorizon van meerdere generaties De netto contante waarde van inkomsten zo ver in de toekomst is, verdisconteerd tegen een reële rentevoet, verwaarloosbaar. Die lange termijn dient daarom niet zozeer het economisch belang van de oorspronkelijke maker – zij dient de belangen van de rechtenhouders die de rechten later hebben opgekocht.
Kortom: intellectueel eigendom creëert kunstmatige schaarste in een wereld waar kennis overvloedig beschikbaar kan zijn. Dit systeem, ooit bedoeld om innovatie te stimuleren, belemmert nu juist de verspreiding en toepassing van kennis – met maatschappelijke kosten als gevolg.
Een kortere, beter onderbouwde beschermingstermijn
Wat is een redelijke termijn? De economische literatuur biedt houvast. Boldrin en Levine, twee economen die de intellectuele eigendomswetgeving uitvoerig hebben bestudeerd, concluderen dat lange exclusiviteit niet noodzakelijk is om creatie te stimuleren – de investering is dan al lang terugverdiend (of niet). Het overgrote deel van de commerciële waarde van muziek bijvoorbeeld wordt gerealiseerd binnen twee à drie jaar na release. Wetenschappelijke publicaties halen de meeste citaties en toepassingen binnen vijf jaar. Daaruit volgt een verdedigbare norm: een basisbescherming van vijf jaar, met de mogelijkheid tot een eenmalige verlenging tot vijftien jaar voor producties met aantoonbaar hoge initiële investeringen – speelfilms, grote games, farmaceutische producten. Na afloop van deze termijn valt de content in het publieke domein. Vijftien jaar is lang genoeg om investeerders zekerheid te bieden, kort genoeg om te voorkomen dat kennis voor generaties achter betaalmuren wordt opgesloten.
Ter vergelijking: de standaard patentduur bedraagt twintig jaar – maar patenten beschermen vindingen waarbij reproductie wél reële kosten met zich meebrengt, niet informatie die tegen nulkosten kan worden verspreid.
Bezwaren tegen het systeem van intellectueel eigendom
Intellectueel eigendom — auteursrecht, octrooirecht – is oorspronkelijk bedoeld om investeringen in kennisproductie te beschermen. Het idee is logisch: wie investeert in een uitvinding of boek, verdient de kans om die investering terug te verdienen. Toch heeft het systeem drie structurele nadelen die de afgelopen decennia steeds zwaarder zijn gaan wegen.
1. Het belemmert de verspreiding van kennis
Door eigendomsrechten maken we iets dat gratis verspreid kan worden kunstmatig duur. Wetenschappelijke artikelen kosten universiteiten wereldwijd miljarden per jaar aan abonnementen op tijdschriften die de onderzoeksresultaten publiceren die zij zelf hebben gefinancierd. De belastingbetaler betaalt twee keer: eerst voor het onderzoek, dan voor de toegang tot de resultaten.
Buiten de rijke wereld zijn de gevolgen nog directer voelbaar. Niet alleen medische kennis over tropische ziekten, maar ook wetenschappelijke publicaties blijven ontoegankelijk voor de landen die haar het hardst nodig hebben — niet omdat de kennis er niet is, maar omdat ze achter een betalingsmuur staat. Kennis die met minimale kosten gedeeld had kunnen worden, wordt kunstmatig schaars gehouden. Dat is geen marktfalen aan de rand van het systeem. Het is een structureel gevolg van de spelregels zelf.
2. Het belemmert kennisproductie
Wanneer kennis economische waarde krijgt via exclusieve rechten, verschuift de onderzoeksagenda. Niet de meest urgente maatschappelijke vragen sturen het onderzoek, maar de vraag wat juridisch en commercieel te beschermen valt.
Dat leidt tot parallelonderzoek op grote schaal: concurrerende partijen investeren enorme bedragen in het ontwikkelen van varianten uitsluitend om bestaande patenten te omzeilen, in plaats van radicaal nieuwe oplossingen te verkennen. In de farmaceutische industrie stuurt de economische logica van patenten onderzoek richting beschermbaarheid en marktexclusiviteit. Tropische ziekten treffen honderden miljoenen mensen, maar vallen grotendeels buiten het commerciële onderzoek omdat de potentiële afzetmarkt te klein is om winstgevende patenten op te baseren. Eenvoudige, goedkope of niet-patenteerbare oplossingen – preventieve maatregelen, bestaande huis-tuin en keukenmiddelen – krijgen structureel minder aandacht dan hun maatschappelijke waarde rechtvaardigt. Zo ontstaat een diepe scheefgroei tussen wat nuttig is en wat loont om te ontwikkelen.
3. Het belemmert de doorbraak van kleinere nieuwe spelers
Intellectueel eigendomsrecht was bedoeld om individuele scheppers te beschermen, maar is steeds meer een instrument geworden van grote bedrijven die kennis, content en patenten opkopen en commercieel exploiteren. De bescherming geldt daardoor in de praktijk vooral voor hen die haar het minst nodig hebben.
In de digitale wereld worden veelbelovende startups opgekocht voordat ze een bedreiging kunnen worden – Facebook kocht Instagram en WhatsApp, Google kocht YouTube en DeepMind, niet primair om te bouwen maar om de concurrentie te neutraliseren. In de farmaceutische industrie dragen kleine biotechbedrijven en universiteiten het onderzoeksrisico met publiek geld; zodra een doorbraak zichtbaar wordt, koopt een grote speler het bedrijf op. De winst is privaat, het risico was collectief. In de technologiesector zijn zoveel overlappende patenten geregistreerd dat nieuwe toetreders vrijwel automatisch inbreuk maken op de rechten van de gevestigde bedrijven — grote spelers gebruiken dit niet als innovatiebescherming, maar als juridisch wapen tegen kleinere concurrenten.
Het patroon is in alle sectoren hetzelfde: intellectueel eigendomsrecht concentreert macht bij degenen die al macht hebben. Het verhoogt de drempel voor nieuwkomers en verschuift de functie van het systeem van bescherming van de maker naar bescherming van de marktpositie. Dat is niet waarvoor het bedoeld was.
Deze drie bezwaren zijn niet nieuw. Economen en juristen debatteren er al decennia over. Maar ze werden lange tijd beschouwd als beheersbare spanningen binnen een systeem dat in grote lijnen redelijk functioneerde. De digitale revolutie heeft dat veranderd — niet omdat de bezwaren groter zijn geworden, maar omdat de technologie ondertussen een wereld mogelijk maakt waarin de spelregels van het intellectueel eigendomsrecht fundamenteel niet meer passen.
Samengevat: Intellectueel eigendom belemmert verspreiding, innovatie en concurrentie. Het systeem dat ooit bedoeld was om makers te beschermen, versterkt nu de macht van grote spelers — ten koste van de samenleving.
De digitale revolutie zet het systeem verder onder druk
Het pre-digitale systeem van intellectueel eigendom was ontworpen voor een wereld waarin kopiëren tijd, geld en fysieke infrastructuur kostte. Drukpersen, cd-fabrieken, distributienetwerken en videobanden vormden natuurlijke beperkingen op verspreiding. Maar de komst van internet veranderde de economische werkelijkheid fundamenteel. Vanaf dat moment werd niet alleen de rechtvaardigheid van intellectueel eigendom discutabeler — ook de praktische uitvoerbaarheid begon af te brokkelen. Elke nieuwe ICT-ontwikkeling maakte het verspreiden van kennis en informatie goedkoper en toegankelijker. De boekdrukkunst maakte kennis beschikbaar buiten de kloostermuren. De krant bracht nieuws tot in de huiskamer. Radio en televisie overbrugden afstand in real time. Maar de digitale revolutie overtreft alles: marginale kosten van reproductie en verspreiding zijn nu vrijwel nul. Een gedigitaliseerd boek kan met één klik met een miljoen lezers worden gedeeld, tegen dezelfde kosten als met één. Een wetenschappelijk artikel is even toegankelijk in Nairobi als in Amsterdam. Een muziekbestand veroudert niet, slijt niet, raakt niet uitverkocht — en toch proberen we het te behandelen alsof het een schaars goed is.
Die ontwikkeling zet zich onverminderd voort. Internetverbindingen worden nog steeds sneller en goedkoper. Opslagcapaciteit groeit nog steeds exponentieel terwijl de prijs daalt. Smartphones geven inmiddels meer dan de helft van de wereldbevolking toegang tot vrijwel alle kennis die ooit is gedigitaliseerd. De technische barrières voor kennisverspreiding zijn zo goed als verdwenen.
Daarmee wordt het intellectueel eigendomsrecht steeds moeilijker handhaafbaar. Dat systeem was gebouwd op een begrijpelijke gedachte: geef de producent – de auteur, de componist, de uitvinder – een tijdelijk monopolie, zodat hij zijn creatieve investering kan terugverdienen voordat anderen vrijelijk kopiëren. Maar die bescherming veronderstelt dat kopiëren iets is wat je kunt tegenhouden.
In een wereld waarin een bestand in seconden wereldwijd verspreid kan worden, is dat een veronderstelling die de praktijk allang heeft ingehaald. De kosten van handhaving — juridische procedures, betalingsmuren, toegangsdrempels — stapelen zich op, terwijl de technologie ondertussen overvloed mogelijk maakt. Het systeem slaagt er steeds minder in te doen waarvoor het bedoeld was, maar slaagt er des te beter in kennisverspreiding te belemmeren.
Toch blijft de digitale revolutie, hoe ingrijpend ook, nog binnen een vertrouwd kader: kennis wordt gemakkelijker gekopieerd en verspreid, maar wordt nog steeds gemaakt door mensen. De vraag was tot nu toe: hoe organiseren we de productie en de verspreiding eerlijker? De opkomst van generatieve AI stelt een fundamenteel andere vraag. Want als machines niet alleen kopiëren maar ook genereren, zelf beginnen te ontdekken, uitvinden en componeren – wie of wat beschermt het intellectueel eigendomsrecht dan nog?

De AI revolutie zet het systeem nog verder onder druk
De digitale revolutie maakte intellectueel eigendom moeilijk handhaafbaar. Maar AI doet iets fundamentelers: het tast de onderliggende rechtvaardiging van het systeem zelf aan. De opkomst van generatieve kunstmatige intelligentie heeft de spanning tussen kennisverspreiding en eigendomsrecht nog verder opgevoerd. Grote taalmodellen zijn getraind op miljarden pagina’s tekst — boeken, artikelen, wetenschappelijke publicaties — die vaak auteursrechtelijk beschermd zijn. De New York Times heeft OpenAI aangeklaagd, en de Europese AI Act verplicht AI-ontwikkelaars inmiddels tot transparantie over gebruikte trainingsdata. Maar de juridische strijd verhult een diepere paradox.
Dezelfde modellen die worden aangeklaagd wegens schending van auteursrecht, leren net als mensen: door te lezen, te absorberen en daarop voort te bouwen. Een schrijver die duizend romans leest en daar zijn eigen stijl op baseert, schendt geen auteursrecht. Een machine die hetzelfde doet, mogelijk wel – en rechtbanken wereldwijd worstelen met deze vraag.
En achter deze juridische vraag schuilt nog een diepere economische vraag. Wanneer beeld, tekst en geluid niet langer alleen kunnen worden gekopieerd maar ook op vrijwel onbeperkte schaal automatisch kunnen worden gegenereerd, vervaagt het onderscheid tussen origineel en reproductie. En als een AI-model functioneel vergelijkbare creaties kan produceren op basis van bestaand werk, rijst de vraag of hier nog sprake is van een economisch schaars element.
AI stelt daarmee fundamentele vragen over intellectueel eigendom. Als machines zelf teksten schrijven, muziek componeren, hypotheses genereren en ontdekkingen doen, wat beschermen we dan eigenlijk nog? De maker? De investering? Of vooral een juridisch systeem dat ontworpen is voor een andere economische werkelijkheid? De juridische en economische logica van het huidige systeem wankelt.
Open source bewijst dat het ook anders kan
Open source bewijst al decennia dat kennisproductie zonder eigendomsmonopolie niet alleen mogelijk is, maar vaak ook beter werkt. Miljoenen mensen wereldwijd werken samen aan het ontwikkelen en verbeteren van software zonder daar direct geld voor te ontvangen. Ze doen dat uit nieuwsgierigheid, voor de uitdaging, voor de reputatie, of uit overtuiging. Het resultaat? Het overgrote deel van alle servers ter wereld draait op Linux en Apache. Meer dan driekwart van alle smartphones draait op Android. Python is uitgegroeid tot de dominante programmeertaal voor wetenschappelijk onderzoek en kunstmatige intelligentie. Niet toevallig allemaal open source software. Trouwens Wikipedia heeft de Encyclopaedia Britannica ook al lang ingehaald – niet alleen in omvang, maar ook in actualiteit en toegankelijkheid.
De open source beweging bewijst dat de veronderstelling waarop het intellectueel eigendomsrecht rust — dat mensen alleen creëren als hen een eigendomsmonopolie wordt beloofd — empirisch onjuist is. Open source toont aan dat kennisproductie zonder intellectueel eigendom monopolies niet alleen kan, maar vaak beter presteert. De succesverhalen — Linux, Wikipedia, Python — zijn onweerlegbaar.
En niet helemaal toevallig sluit deze praktijk aan bij een veel oudere wetenschappelijke traditie. Wetenschappers publiceren hun bevindingen zodat anderen daarop kunnen voortbouwen. Robert Merton beschreef al in 1942 kennisdeling als een van de kernnormen van de wetenschap. In die zin is open source minder revolutionair dan soms wordt gedacht: het brengt een oud wetenschappelijk principe naar de digitale wereld.
Kennis als collectief goed: een nieuw productiemodel
De diepere vraag is niet hoe lang we kennis moeten beschermen, maar of eigendom wel het beste model is voor kennisproductie. Er is een beproefd alternatief: het collectieve goed-model. De overheid zorgt ervoor dat dijken, straatverlichting en defensie voor iedereen beschikbaar zijn — betaald uit belastingen. Waarom niet ook kennis? Overheden financieren nu al een groot deel van het wetenschappelijk onderzoek. Toch zijn de resultaten vaak alleen toegankelijk achter dure betaalmuren – een paradox die steeds moeilijker te verkopen is.
Open access – het principe dat wetenschappelijke publicaties vrij beschikbaar moeten zijn — wint dan ook snel terrein. De Europese Commissie verplicht onderzoek gefinancierd met EU-middelen inmiddels tot open publicatie. Dat is een stap in de goede richting, maar waarom zouden we dit niet nog verder doortrekken?
Een volgende stap zou zijn om voor specifieke categorieën maatschappelijk essentiële kennis – educatief materiaal, medische kennis, basiswetenschappelijke kennis – het collectieve goed-model volledig toe te passen. De overheid betaalt voor de productie; het resultaat is vrij beschikbaar voor iedereen. Dat dit werkt, bewijzen Wikipedia, OpenStreetMap en de Gutenberg-bibliotheek.
Dat het ook voor complexere kennisproducten kan werken, bewijzen de successen van door overheden gefinancierd vaccinonderzoek, dat tijdens de COVID-19-pandemie in recordtijd resultaten opleverde – mede dankzij uitwisseling van kennis tussen onderzoeksgroepen wereldwijd.
Voor creatieve expressie – muziek, beeldende kunst, literatuur – verschuift de schaarste en daarmee de waarde naar authenticiteit. De maker, de herkomst, het vertrouwen worden het schaarse goed. Voor functionele kennis – medicijnen, software, technische vindingen – geldt een andere logica: daar draait het om werkzaamheid, niet om herkomst. Een vaccin geneest ongeacht wie het heeft ontdekt.
Maar achter beide categorieën schuilt dezelfde filosofische vraag: wat is kennis eigenlijk? Is het een bezitting — iets dat je kunt afsluiten, verkopen, erven? Of is het onderdeel van een proces – iets dat alleen ontstaat en waarde heeft als het stroomt, gedeeld wordt, erop voortgebouwd wordt?
Elke grote wetenschapper, componist en uitvinder heeft gestaan op de schouders van voorgangers. Niemand heeft iets bedacht vanuit het niets. Misschien is dat de diepste reden waarom kennis nooit volledig privébezit kan zijn: omdat zij zelf altijd al een collectief product was.
Conclusie: de spelregels herzien op drie niveaus
Het intellectueel eigendomsrecht was een antwoord op een probleem uit het pre-digitale tijdperk: hoe stimuleer je investeringen in kennisproductie wanneer kopiëren vrijwel kosteloos is? In een wereld van drukpersen en fysieke dragers was het een functioneel antwoord, maar wel met vraagtekens en negatieve bijwerkingen. In een wereld van nul-marginale-kosten-reproductie is het een achterhaald antwoord geworden.
Op het eerste niveau – dat van de spelregels zelf – zijn de aanpassingen concreet en verdedigbaar. Kortere beschermingstermijnen, gedifferentieerd naar type kennisproduct. Versterking van open access als norm, niet als uitzondering. Collectieve financiering van maatschappelijk essentiële kennis. Dit zijn geen radicale voorstellen – ze volgen rechtstreeks uit de economische logica die al decennia in de literatuur staat, maar politiek nog nauwelijks is omgezet.
Op het tweede niveau – dat van de digitale realiteit – is meer nodig dan aanpassing van termijnen. De technologie heeft overvloed mogelijk gemaakt; de spelregels leggen nog steeds kunstmatige schaarste op. Dat vraagt om een fundamentelere keuze: voor welke categorieën kennis passen we het collectieve goed-model volledig toe? Educatief materiaal, medische kennis, basiswetenschappelijk onderzoek? – daar is de maatschappelijke opbrengst van vrije verspreiding zo groot dat eigendomsrecht niet langer de juiste organisatievorm is.
Op het derde niveau – dat van generatieve AI en geautomatiseerde kennisproductie – staan de vragen nog open. Als machines niet alleen kopiëren maar zelf kennis genereren, vervalt de oorspronkelijke rechtvaardiging van intellectueel eigendom: de bescherming van de individuele maker die een investering wil terugverdienen. Wat ervoor in de plaats komt, is nog niet uitgedacht. Maar de richting is duidelijk: de vraag verschuift van wie iets bezit naar hoe kennisproductie en kennisverspreiding optimaal kunnen worden georganiseerd – voor de samenleving als geheel.
De econoom in mij weet het antwoord op de oude vraag: kennis is van ons allemaal, en de spelregels moeten daarbij aansluiten. De futuroloog in mij ziet dat de nieuwe vraag urgenter wordt met elke maand die verstrijkt. Geautomatiseerde onderzoekslabs die zonder menselijke tussenkomst hypothesen genereren en testen, zijn geen sciencefiction meer, ze bestaan al. De wereld die deze vragen stelt, is niet aan het komen – ze bestaat al.
Peter van der Wel (12026)
PS: Vanuit mijn achtergrond als econoom en toekomstonderzoeker kijk ik naar technische ontwikkelingen in een bredere maatschappelijke context. Vandaar deze beschouwing over de toekomst van het systeem van intellectueel eigendomsrecht.
Dit artikel verscheen eerder in het februarinummer van Civis Mundi.
Ben je het eens met de boodschap van deze blog? Post hem op de socials en/of stuur hem door naar een collega of vriend waarvan je denkt dat ze hem ook interessant zullen vinden! Kreeg je ’m zelf doorgestuurd? Abonneer je hier gratis op nieuwe blogs.
PPS: Reacties zijn welkom. Je kunt ze mailen naar mijn mailadres.
