Artificiële arbeid en het einde van het klassieke onderscheid tussen arbeid en kapitaal

De opkomst van grootschalige inzetbare humanoïde robots en autonome productiesystemen dwingt ons tot een heroverweging van een van de meest fundamentele onderscheidingen in de economische theorie: die tussen arbeid en kapitaal. Wat begon als een analytisch hulpmiddel in de klassieke economie, en later werd verankerd in neoklassieke productiefuncties en groeimodellen, verliest onder condities van artificiële arbeid zijn beschrijvende kracht.

1. De klassieke scheiding: arbeid als stroom, kapitaal als voorraad

Sinds de klassieke economie wordt arbeid begrepen als een stroomvariabele: menselijke inspanning per tijdseenheid. Kapitaal daarentegen is een voorraadvariabele: een geaccumuleerde stock van productiemiddelen die productieve diensten levert over meerdere perioden.

In de standaardproductiefunctieY=F(K,L)Y = F(K, L)Y=F(K,L)

is arbeid LLL een variabele input met een loon www, en kapitaal KKK een accumuleerbare voorraad met rendement rrr. De factorbeloningen volgen (in het neoklassieke paradigma) uit marginale productiviteit. Deze scheiding is analytisch helder zolang arbeid wezenlijk menselijk is:

  • Arbeid vereist consumptie en reproductie.
  • Arbeid is belichaamd in personen.
  • Arbeid is schaars per definitie (tijdbeperking, demografie).

Kapitaal daarentegen is accumuleerbaar, reproduceerbaar en overdraagbaar.

2. Artificiële arbeid als hybride productiefactor

Humanoïde robots en autonome AI-systemen leveren echter niet alleen “kapitaaldiensten” in klassieke zin, maar bootsen tevens arbeid na in functionele zin. Zij:

  • verrichten uitvoerende taken per tijdseenheid,
  • kunnen flexibel worden toegewezen aan uiteenlopende activiteiten,
  • substitueren directe menselijke arbeid in productieketens.

Tegelijkertijd zijn zij:

  • reproduceerbaar via kapitaalinvesteringen,
  • eigendom van kapitaalverschaffers,
  • onderhouds- en energieafhankelijk.

Artificiële arbeid is dus functioneel arbeid, maar juridisch en boekhoudkundig kapitaal. Daarmee ontstaat een categorische spanning.

3. Substitutie en de collaps van de productiefunctie

Indien artificiële arbeid AAA perfect of quasi-perfect substitueerbaar wordt met menselijke arbeid LLL, dan verandert de structuur van de productiefunctie fundamenteel. Stel een uitgebreide functie:Y=F(K,L,A)Y = F(K, L, A)Y=F(K,L,A)

Wanneer AAA tegen dalende kosten wordt gereproduceerd en AA \rightarrow \inftyA→∞ bij voldoende lage marginale kosten, ontstaat een situatie waarin:limpA0L0\lim_{p_A \to 0} L \to 0pA​→0lim​L→0

Menselijke arbeid wordt dan geen noodzakelijke productiefactor meer, maar een optionele. In dat geval wordt de klassieke tweedeling KKK versus LLL analytisch instabiel. Artificiële arbeid is immers geen aanvullende kapitaalvoorraad die indirect productief is; zij levert directe “arbeidsdiensten” zonder menselijke drager. De marginale productiviteitstheorie verliest hier haar interpretatieve helderheid:

  • Is de beloning van artificiële arbeid een loon of een kapitaalrendement?
  • Wordt de factorbeloning bepaald door marginale productiviteit van “arbeid” of door eigendomsrechten op kapitaal?

Het antwoord is beide — en daarmee geen van beide.

4. Van factoronderscheid naar systeemonderscheid

De klassieke factorindeling veronderstelt dat arbeid fundamenteel verschilt van kapitaal omdat arbeid levend is en kapitaal dood. Artificiële arbeid doorbreekt dit onderscheid. Wat overblijft is niet langer een onderscheid tussen arbeid en kapitaal, maar tussen:

  1. Reproduceerbare uitvoeringscapaciteit
  2. Institutioneel eigendom en toegang

De relevante economische vraag verschuift

  • van: Hoe wordt output verdeeld tussen arbeid en kapitaal?
  • naar: Wie bezit en controleert de reproduceerbare uitvoeringscapaciteit?

Daarmee verandert ook de distributietheorie. De loonquote wordt betekenisloos indien uitvoeringscapaciteit niet langer verbonden is aan menselijke arbeid. De klassieke tegenstelling tussen looninkomen en kapitaalinkomen vervaagt, omdat “arbeidsdiensten” nu ook voortkomen uit kapitaalgoederen.

5. Implicaties voor groeimodellen

In Solow-achtige modellen is groei afhankelijk van kapitaalaccumulatie, arbeidsgroei en exogene technologische vooruitgang. Indien artificiële arbeid:

  • reproduceerbaar is via kapitaalaccumulatie,
  • substitueerbaar is met menselijke arbeid,
  • en marginale kosten richting nul bewegen,

dan wordt arbeidsgroei endogeen onderdeel van kapitaalaccumulatie. De traditionele decompositie van groei in kapitaal- en arbeidseffecten verliest dan haar betekenis. Wat vroeger arbeidstoename was (meer effectieve arbeidsuren), wordt nu kapitaaluitbreiding. De Cobb-Douglas specificatie met constante factorinkomensverdeling verliest onder deze condities haar empirische plausibiliteit.

6. De distributieve paradox

Dit heeft ook distributieve consequenties. Wanneer artificiële arbeid als kapitaal wordt geboekt maar functioneert als arbeid, verschuift de arbeidsinkomensstroom geheel of gedeeltelijk ook naar kapitaalbezitters. Het onderscheid tussen arbeid en kapitaal blijkt dan geen natuurlijke categorie, maar een historisch-institutionele constructie die gebaseerd was op de toenmalige economische verhoudingen.

7. Conclusie

Artificiële arbeid maakt het traditionele onderscheid tussen arbeid en kapitaal analytisch onhoudbaar omdat zij:

  • arbeid reproduceerbaar maakt,
  • arbeid loskoppelt van menselijke dragers,
  • uitvoeringscapaciteit transformeert van stroomvariabele naar kapitaalvoorraad.

De fundamentele economische tegenstelling verschuift daarmee van arbeid versus kapitaal naar eigendom versus toegang. Wat in de negentiende eeuw een sociaal conflict was tussen arbeiders en kapitaalbezitters, wordt in de eenentwintigste eeuw een vraag naar toegang tot de artificiële uitvoeringscapaciteit. De productiefactorentheorie heeft ons lang gediend. Maar met de komst van artificiële arbeid beschrijft zij niet langer de bestaande economische werkelijkheid.

De vraag is niet langer hoe arbeid en kapitaal zich tot elkaar verhouden. De vraag is wie de arbeid bezit wanneer arbeid geen mens meer is.