Van Marx naar overvloed: de economische theorie moet opnieuw worden uitgevonden

(leestijd 4 minuten)

Als een arbeider in 1850 had geweten dat zijn kleinzoon zou concurreren met machines die nooit moe worden en geen loon vragen — had hij dan nog geloofd in de waarde van zijn arbeid? Waarschijnlijk niet. Maar hij kon het niet weten. Want de economische theorie van zijn tijd gaf hem geen taal om die toekomst te begrijpen.

Iemand die dat wel probeerde was Karl Marx. Lenin omschreef het marxisme ooit als het product van de Europese Verlichting, de Duitse filosofie en de Engelse politieke economie — en dat is historisch goed te verdedigen. Het marxisme ontstond namelijk niet in een vacuüm, maar als een synthese van drie grote intellectuele tradities

Uit de Europese Verlichting nam Marx het geloof over dat de samenleving rationeel te begrijpen is en dat sociale structuren geen natuurwetten zijn, maar historische constructies die kunnen veranderen. De Duitse filosofie, vooral het dialectische denken van Hegel, leverde een methode om maatschappelijke ontwikkeling te begrijpen als een proces van tegenstellingen en veranderingen. En uit de Engelse politieke economie — met denkers als Adam Smith en David Ricardo — nam Marx de economische analyse van arbeid, waarde en kapitaal over.

Het marxisme was daarmee een poging om het industriële kapitalisme van de 19e eeuw te begrijpen. In die wereld stond één productiefactor centraal: arbeid. Fabrieken draaiden op menselijke arbeid, en de verhouding tussen arbeid en kapitaal bepaalde de economische dynamiek. Het is daarom niet verrassend dat Marx de geschiedenis interpreteerde als een strijd tussen klassen — tussen degenen die arbeid verkopen en degenen die de productiemiddelen bezitten.

Maar elke economische theorie is ook een product van haar tijd.

De industriële economie waarop Marx zijn analyse baseerde, begint snel plaats te maken voor een ander type economie. Technologische ontwikkeling verlaagt structureel de kosten van productie. Hernieuwbare energie nadert in veel situaties al marginale kosten die dicht bij nul liggen. Automatisering en artificiële intelligentie nemen steeds meer taken over. En de opkomst van humanoïde robots kan binnenkort een vrijwel onbeperkte hoeveelheid uitvoeringscapaciteit toevoegen aan de economie.

Wanneer arbeid door machines kan worden geleverd tegen steeds lagere kosten, verandert de economie fundamenteel.

Arbeid verliest dan geleidelijk zijn rol als schaars productiemiddel. Daarmee komt ook het klassieke onderscheid tussen arbeid en kapitaal, dat zowel de klassieke economie als het marxisme domineerde, onder druk te staan.

We staan nu op een punt dat lijkt op het moment waarop Marx zijn analyse schreef. Hij nam de economische theorie van zijn tijd serieus, maar liet zien dat haar aannames historisch begrensd waren. Wat hij deed voor het kapitalisme van de 19e eeuw, zullen we nu opnieuw moeten doen voor een economie waarin technologie de productiecapaciteit drastisch vergroot.

In een wereld waarin energie, informatie en artificiële arbeid steeds goedkoper worden, verschuift het centrale economische probleem. De klassieke economie ging uit van schaarste. Het basisvraagstuk luidde: hoe verdelen we beperkte middelen? Maar als technologie steeds meer overvloed creëert, verandert die vraag.

Dan gaat economie niet langer primair over hoe we genoeg produceren, maar over hoe we overvloed organiseren.

Nieuwe vormen van schaarste blijven natuurlijk bestaan. Ecologische grenzen blijven reëel. Complexe systemen moeten worden beheerd. En mensen blijven zoeken naar betekenisvolle activiteiten. Maar de economische logica die deze vraagstukken structureert, kan niet meer worden begrepen met modellen die zijn ontwikkeld voor een wereld waarin arbeid schaars was.

De geschiedenis van het economisch denken laat zien dat theorieën veranderen wanneer de economische realiteit verandert.

De klassieke politieke economie probeerde het vroege kapitalisme te begrijpen. Het marxisme probeerde de spanningen van het industriële kapitalisme te verklaren. Vandaag staan we mogelijk aan het begin van een economie waarin productiecapaciteit overvloedig wordt en marginale kosten richting nul bewegen.

Als dat inderdaad gebeurt, zal ook de economische theorie opnieuw moeten worden uitgevonden. Niet om schaarste te organiseren, maar om overvloed te begrijpen.

Want als arbeid geen schaarse productiefactor meer is, op basis waarvan verdeel je dan inkomen? Prestatie? Behoefte? Eigendom? Toeval?

Peter van der Wel (12026)

PS: Vanuit mijn achtergrond als econoom en toekomstonderzoeker kijk ik naar technische ontwikkelingen in een bredere maatschappelijke context. Vandaar deze economisch-politieke beschouwing over de toekomst van ons economisch systeem.

Ben je het eens met de boodschap van deze blog? Post hem op de socials en/of stuur hem door naar een collega of vriend waarvan je denkt dat ze hem ook interessant zullen vinden!  Kreeg je ’m zelf doorgestuurd?  Abonneer je hier gratis op nieuwe blogs.

PPS: Reacties zijn welkom. Je kunt ze mailen naar mijn mailadres.