De Economie van Overvloed

Deel 1 : Hoe technologie overvloed creëert, terwijl het systeem schaarste blijft organiseren

Deel 2: De productie van overvloed

Deel 3: Het organiseren van overvloed: over instituties in een economie van overvloed

Achtergrondliteratuur

Bijlage: Hoe technologische vooruitgang leidt tot zichzelf versterkende kostendalingen

Deel 1: Hoe technologie overvloed creëert, terwijl het systeem schaarste blijft organiseren

We leven in de meest productieve periode uit de menselijke geschiedenis. Nooit eerder konden mensen zoveel voedsel produceren, zoveel steeds goedkopere energie opwekken, zoveel kennis delen en zoveel werk uit handen laten nemen door technologie. Wat generaties vóór ons als overvloed zouden hebben ervaren, beschouwen wij inmiddels als normaal. De capaciteit om te produceren, te organiseren en te innoveren groeit nog altijd exponentieel. Voedselproductie bereikt recordniveaus, energie wordt structureel goedkoper door zon en wind, kennis is met één klik beschikbaar en technologie vergroot voortdurend onze mogelijkheden.

En toch voelt het voor veel mensen niet zo. De werkdruk neemt toe. Ongelijkheid groeit. Wonen, zorg en onderwijs worden steeds duurder. Ondanks de toegenomen rijkdom ervaren heel veel mensen geen overvloed, maar juist schaarste. Schaarste in tijd, in betaalbare voorzieningen, in bestaanszekerheid.

Daarmee ontstaat een paradox die centraal staat in onze tijd: hoe kan een samenleving tegelijkertijd rijker worden en toch het gevoel hebben dat er steeds minder is?

De vraag is dus niet of we genoeg produceren. De vraag is waarom toenemende productiviteit zich niet automatisch vertaalt in ervaren welvaart. Waarom vooruitgang in productiecapaciteit niet vanzelf leidt tot vooruitgang in zekerheid, rust en toegankelijkheid.

Het antwoord ligt niet alleen in technologie of economie, maar in de manier waarop we overvloed organiseren. Het probleem van onze tijd is niet dat we te weinig produceren, maar dat we de groeiende overvloed organiseren met regels die voor schaarste zijn ontworpen.

Wie het huidige economische systeem wil begrijpen, moet allereerst beginnen met het loslaten van een hardnekkig misverstand. Wij leven niet in een vrije markteconomie in de klassieke betekenis van het woord. Dat beeld — van individuen en bedrijven die via vraag en aanbod tot een evenwicht komen — speelt nog altijd een dominante rol in economische theorie en politiek debat, maar beschrijft slechts een deel van de werkelijkheid. De moderne economie is in feite een hybride systeem waarin markten, grote organisaties en publieke instituties voortdurend op elkaar inwerken.

Markten spelen nog steeds een belangrijke rol. Voor veel goederen en diensten functioneren prijzen als een effectief coördinatiemechanisme. Vraag en aanbod zorgen voor aanpassing, concurrentie stimuleert efficiëntie, en nieuwe aanbieders kunnen in principe toetreden. Dit deel van de economie komt het dichtst in de buurt van het klassieke economische model. Maar zodra we kijken naar de kern van de moderne productie, verschuift het beeld. Grote ondernemingen functioneren intern namelijk niet als markten. Binnen deze bedrijven worden beslissingen niet genomen via prijzen, maar via planning, hiërarchie en organisatie. Productie, investeringen en innovatie worden gestuurd door managementbeslissingen, niet door voortdurende markttransacties. In die zin lijken grote bedrijven eerder op kleine planeconomieën dan op vrije markten.

Daarbij speelt de staat een structurerende rol. Eigendomsrechten, contracthandhaving, infrastructuur, onderwijs, financiële stabiliteit en crisisinterventies vormen het fundament waarop economische activiteit rust. De financiële crisis van 2008 maakte zichtbaar wat daarvoor vaak impliciet bleef. Wanneer het systeem onder druk komt te staan, fungeert de staat als ultieme stabilisator. Het huidige economische systeem bestaat dus niet uit markt of staat, maar uit een voortdurend veranderende balans tussen marktmechanismen, organisatorische planning en publieke instituties.

In eerdere economische overgangsperiodes — zoals de industrialisatie — werd nieuwe technologie pas maatschappelijk stabiel ingepast nadat de instituties zich aanpasten aan de veranderde economische werkelijkheid. Overheden speelden daarin een belangrijke rol door nieuwe regels en structuren te ontwikkelen die aansloten bij die veranderingen. De economie verandert dus niet alleen door technologische innovatie, maar ook door de wijze waarop samenlevingen besluiten die innovatie institutioneel in te bedden.

Onder de institutionele structuur liggen een aantal diepere krachten die het systeem aandrijven. De belangrijkste daarvan is de technologische ontwikkeling. Nieuwe technologie verlaagt voortdurend de kosten van productie, communicatie en coördinatie. Automatisering, software en inmiddels ook kunstmatige intelligentie maken het mogelijk om met minder arbeid meer output te produceren. Tegelijkertijd vergroten deze technologieën schaalvoordelen. Wie eenmaal groot is, kan sneller groeien, efficiënter produceren en concurrenten moeilijker toelaten. Dit mechanisme verklaart waarom moderne markten vaak neigen naar concentratie.

Daarmee samenhangend is er een verschuiving in de verhouding tussen arbeid en kapitaal zichtbaar. In de afgelopen decennia is eigendom steeds belangrijker geworden als bron van inkomen. Niet omdat arbeid minder waardevol werd, maar omdat technologie kapitaal productiever maakt. Machines, algoritmen en infrastructuur kunnen op steeds grotere schaal worden ingezet zonder dat de kosten evenredig toenemen. Het gevolg is dat inkomen en macht zich vaker concentreren bij degenen die deze productiemiddelen bezitten.

De digitale economie versterkt dit proces verder door netwerkeffecten. Platforms worden waardevoller naarmate meer mensen ze gebruiken, waardoor een natuurlijke neiging ontstaat richting dominantie van enkele grote spelers. Dit is geen klassieke monopolievorming door prijsafspraken, maar een gevolg van de technische structuur van digitale markten zelf. Wie het platform beheert, bepaalt in toenemende mate de voorwaarden waaronder anderen kunnen deelnemen aan de economie.

Tegelijkertijd wordt economische besluitvorming steeds sterker beïnvloed door financiële logica. Bedrijven opereren binnen een systeem waarin rendement op kapitaal de belangrijkste maatstaf is geworden. Investeringen, innovatie en zelfs arbeidsverhoudingen worden mede bepaald door verwachtingen van financiële markten. Hierdoor ontstaat een spanning tussen lange termijn maatschappelijke waarde en korte termijn winstoptimalisatie.

De paradox van het huidige economische systeem ligt echter nog dieper. Zo krijgen goederen en diensten steeds meer een immaterieel karakter. Dat betekent dat ze steeds minder uit materie en steeds meer uit informatie of kennis bestaan. Informatie en kennis hebben een principieel ander karakter dan materie. Ze zijn immaterieel, dus heel eenvoudig te vermenigvuldigen. Verder dalen de kosten van informatie, energie en productie structureel. Wat ooit schaars was, komt in toenemende mate beschikbaar.

Institutioneel blijven we echter denken en organiseren vanuit schaarste. Inkomen is nog steeds gekoppeld aan arbeid, toegang tot goederen en diensten is nog steeds afhankelijk van koopkracht, en prijzen blijven de centrale verdelingsmechanismen, ook wanneer de onderliggende productiekosten sterk dalen.

Deze spanning tussen ons denken en de feitelijke situatie verklaart een groot deel van de onrust in moderne samenlevingen. Economische groei en technologische vooruitgang gaan paradoxaal genoeg samen met gevoelens van onzekerheid en ongelijkheid. Niet omdat de economie slechter functioneert, maar omdat de institutionele structuur achterblijft bij de technologische realiteit. Het systeem produceert overvloed, maar verdeelt nog alsof schaarste dominant is.

Historisch gezien bevinden we ons daarmee in een overgangsfase. De negentiende eeuw werd gekenmerkt door markten en industriële productie. De twintigste eeuw werd gedomineerd door grote organisaties en staatsinterventie. De eenentwintigste eeuw wordt steeds meer bepaald door netwerken, digitale infrastructuren en kennisintensieve productie waarbij de kosten van gebruik steeds verder dalen. Oude instituties — arbeidsmarkten, belastingstelsels, eigendomsmodellen — sluiten steeds minder goed aan bij deze nieuwe werkelijkheid. Daardoor ontstaan discussies over werk, automatisering, platformmacht en nieuwe vormen van sociale zekerheid die op het eerste gezicht los van elkaar lijken te staan, maar in feite verschillende uitingen zijn van dezelfde structurele verandering.

De geschiedenis laat zien dat zulke veranderingen zelden geleidelijk verlopen. Vaak worden ze pas zichtbaar wanneer het bestaande systeem niet langer vanzelfsprekend functioneert. Dan ontstaat een overgangsfase waarin allerlei spanningen optreden. In deze overgangsfase is in het heden al de toekomst in wording. De structuren van morgen zijn al aanwezig, maar nog niet volledig begrepen.

Internationale politiek in een wereld van toenemende overvloed

Wat binnen landen gebeurt — overvloed die botst met oude instituties — gebeurt ook tussen landen. De spanning tussen de bestaande regels en de veranderde economische praktijk zien daardoor we ook optreden in de internationale verhoudingen. Internationale politiek is ook economische politiek maar met andere middelen. Staten concurreren niet alleen militair of ideologisch, maar ook om toegang tot markten, grondstoffen, technologie en infrastructuur.

De globalisering van de afgelopen decennia heeft geleid tot een ongekende toename van wereldwijde productie en welvaart. Honderden miljoenen mensen zijn uit extreme armoede gekomen, vooral in Azië. Tegelijkertijd heeft deze ontwikkeling nieuwe afhankelijkheden gecreëerd. Productieketens zijn verspreid geraakt over continenten, terwijl technologie en kennis zich concentreren in enkele regio’s. Financiële markten verbinden daarbij de nationale economieën zodanig dat lokale crises snel mondiale gevolgen kunnen krijgen.

Binnen deze mondiale economie bestaan grote verschillen in welvaart. Deze verschillen zijn historisch gegroeid en worden deels in stand gehouden door bestaande structuren. Landen die vroeg industrialiseerden beschikken over kapitaal, kennisinstituten en stabiele instituties, waardoor zij nieuwe technologie vaak sneller kunnen benutten. Landen die later instapten, blijven vaak afhankelijk van grondstoffenexport of laagwaardige productie. Hierdoor ontstaat een patroon waarin economische voordelen zichzelf versterken. Welvaart trekt investeringen aan, investeringen versterken productiviteit, en productiviteit vergroot opnieuw welvaart.

De klassieke economische gedachte was dat vrije handel deze verschillen vanzelf zou verkleinen. Deels is dat ook gebeurd, maar niet overal en niet in hetzelfde tempo. Moderne economische inzichten laten zien dat economische ontwikkeling sterk afhankelijk is van institutionele capaciteit: onderwijs, rechtssystemen, infrastructuur en politieke stabiliteit. Zonder deze voorwaarden leidt integratie in de wereldeconomie niet automatisch tot duurzame groei. Internationale welvaartsverschillen zijn niet het gevolg van marktwerking, maar vooral van institutionele ongelijkheid.

Daarbij is wel de aard van economische macht veranderd. Waar in de twintigste eeuw industriële productie en toegang tot grondstoffen bepalend was, is de kern van de economische macht nu verschoven naar kennis, technologie en digitale infrastructuur. Dit heeft geopolitieke gevolgen gehad. Landen en regio’s die controle hebben over halfgeleiders, AI-systemen, energie-infrastructuur of dataplatforms verkregen een disproportionele invloed op de wereldwijde economie. Internationale politiek verschuift daarmee van territoriale controle naar controle over technologische ecosystemen.

Deze ontwikkeling maakt het omgaan met internationale welvaartsverschillen complexer. Enerzijds creëert moderne technologie de mogelijkheid om welvaart sneller te verspreiden dan ooit tevoren. Digitale kennis, goedkope energie en automatisering kunnen ontwikkelingsstappen overslaan die vroeger generaties kostten. Anderzijds bestaat het risico dat nieuwe technologieën juist leiden tot een verdere concentratie van economische macht bij landen en bedrijven die al voorop lopen. Dezelfde technologie die overvloed kan creëren, veroorzaakt soms ook nieuwe afhankelijkheden.

Grote welvaartsverschillen zijn historisch gezien zelden duurzaam. Zij leiden tot migratiestromen, politieke spanningen en geopolitieke rivaliteit. Internationale samenwerking is daarom niet uitsluitend een morele keuze, maar ook een systeemvoorwaarde voor stabiliteit. De centrale vraag voor de komende decennia is daarom niet alleen hoe landen economisch kunnen groeien, maar hoe de voordelen van technologische vooruitgang internationaal worden gedeeld zonder dat dit leidt tot instabiliteit.

Dit vraagt om een verschuiving in denken. Internationale economische relaties worden soms gezien als een competitie tussen winnaars en verliezers. In een wereld waarin productiecapaciteit en kennis steeds sneller toenemen, verschuift de uitdaging echter naar het organiseren van wederzijdse afhankelijkheid op een manier die voor alle partijen voordeel oplevert. Handel, technologieoverdracht en gezamenlijke investeringen in mondiale publieke goederen — zoals klimaat, energie en kennis — worden daarmee instrumenten van stabiliteit in plaats van middelen voor nationale winstmaximalisatie.

Vanuit systeemperspectief betekent dit dat de mondiale economie zich in een vergelijkbare overgang bevindt als de nationale economieën. De instituties die zijn ontworpen voor een wereld van industriële concurrentie sluiten steeds minder goed aan bij een wereld van gedeelde infrastructuren en mondiale afhankelijkheden. Mondiale afhankelijkheid betekent dat internationale politiek zich dient te bewegen van machtsbeheer naar systeembeheer. Naar het gezamenlijk beheren van risico’s die geen enkel land afzonderlijk kan oplossen.

Het omgaan met internationale welvaartsverschillen wordt in die context niet een vraagstuk van herverdeling, maar een vraagstuk van toegang. Toegang tot energie, technologie, kennis en markten bepalen steeds meer de ontwikkelingsmogelijkheden van landen. Een stabiele wereldorde vereist mechanismen die voorkomen dat nieuwe technologische revoluties de bestaande welvaartsverschillen verder versterken.

In die zin vormt de internationale dimensie een uitbreiding van dezelfde paradox die ook binnen nationale economieën zichtbaar is. De wereld als geheel wordt steeds rijker en productiever, maar de instituties die deze rijkdom organiseren zijn nog gebaseerd op een tijdperk van schaarste en rivaliteit. De uitdaging van de eenentwintigste eeuw ligt daarom niet zozeer in economische groei, maar vooral in het ontwerpen van internationale structuren die overvloed kunnen dragen zonder dat zij nieuwe vormen van ongelijkheid en conflict voortbrengen.

Economische spanningen als faseovergang

Economische systemen veranderen zelden geleidelijk. Wie terugkijkt naar de grote economische transformaties ziet dat lange perioden van relatieve stabiliteit worden afgewisseld met relatief korte fases van onrust, onzekerheid en institutionele heroriëntatie. Deze patronen lijken sterk op wat in de systeemtheorie een faseovergang wordt genoemd: een moment waarop een systeem onder invloed van interne spanningen een nieuwe ordening aanneemt.

De moderne economie vertoont veel kenmerken van zo’n overgangsfase. Decennialang functioneerde het bestaande economische systeem relatief stabiel. Werk, inkomen en sociale zekerheid waren met elkaar verbonden via langdurige arbeidsrelaties. Productie vond plaats in grote organisaties, groei werd gedragen door stijgende productiviteit en consumptie en nationale staten vormden het belangrijkste kader voor economische besluitvorming. Dit systeem was niet zonder problemen, maar het bood voorspelbaarheid.

De technologische ontwikkeling heeft deze stabiliteit echter geleidelijk ondermijnd. Digitalisering, automatisering en wereldwijde netwerken hebben de kosten van informatie, communicatie en productie drastisch verlaagd. Hierdoor zijn de fundamenten van de economische organisatie veranderd. Productie wordt steeds minder afhankelijk van menselijke arbeid, kennis kan zich vrijwel zonder kosten verspreiden en de waarde creatie is verschoven naar grensoverschrijdende infrastructuren en netwerken. De instituties die zijn ontworpen voor een industriële economie sluiten steeds minder goed aan bij deze nieuwe realiteit.

In complexe systemen ontstaat in deze fase spanning. Oude structuren blijven bestaan omdat ze stabiliteit bieden, terwijl nieuwe structuren zich al aandienen maar nog niet volledig zijn uitgekristalliseerd. Het systeem verkeert dan in een toestand van verhoogde gevoeligheid. Kleine gebeurtenissen kunnen grote gevolgen hebben, conflicten nemen toe en maatschappelijke discussies verharden. Wat vaak als politieke of culturele crisis wordt ervaren, is in werkelijkheid een teken dat het systeem zijn oude evenwicht verliest.

Dit verklaart waarom hedendaagse samenlevingen tegelijkertijd vooruitgang en onzekerheid ervaren. Door de voortgaande technologische ontwikkeling neemt de productiviteit toe en worden steeds meer goederen en diensten toegankelijk. Tegelijkertijd voelen veel mensen zich economisch kwetsbaarder. Niet omdat de economie minder produceert, maar omdat de relatie tussen werk, inkomen en zekerheid verandert. De regels waarmee mensen hun toekomst begrijpen, blijken minder betrouwbaar dan voorheen.

Een kenmerk van faseovergangen is dat oude verklaringsmodellen hun overtuigingskracht verliezen voordat nieuwe modellen algemeen worden geaccepteerd. In economische termen betekent dit dat traditionele tegenstellingen — markt versus staat, groei versus herverdeling — onvoldoende verklaren wat er gebeurt. Nieuwe vraagstukken ontstaan rond data-eigendom, platformmacht, automatisering en toegang tot infrastructuur, maar passen nog niet in bestaande beleidskaders. Daardoor ontstaat het gevoel dat het systeem stuurloos is, terwijl het in werkelijkheid bezig is zich opnieuw te organiseren.

Historisch gezien zijn dergelijke overgangsperioden niet uitzonderlijk. De overgang van agrarische naar industriële samenlevingen ging gepaard met vergelijkbare spanningen: urbanisatie, sociale ongelijkheid, politieke conflicten en nieuwe ideologieën. Pas toen nieuwe instituties ontstonden — arbeidsrecht, sociale zekerheid, publieke infrastructuur — stabiliseerde het systeem opnieuw. Wat achteraf als een logisch ontwikkelingspad wordt gezien, werd door tijdgenoten ervaren als ontwrichting.

De huidige faseverandering is niet anders. De onderliggende verandering is niet alleen economisch, maar ook technologisch en cultureel. Wanneer de productiecapaciteit steeds verder kan worden opgeschaald, verschuift de centrale economische vraag van produceren naar organiseren. Niet langer staat de vraag centraal hoe voldoende goederen kunnen worden gemaakt, maar hoe toegang, eigendom en waarde worden verdeeld in een context van toenemende overvloed. Dit vraagt om een institutionele vernieuwing op een schaal die vergelijkbaar is met die van de vroege twintigste eeuw.

In een faseovergang ontstaat vaak de neiging om terug te grijpen naar eerdere vormen van stabiliteit. Politieke bewegingen die beloven het verleden te herstellen zijn in die zin begrijpelijk. Zij bieden herkenbaarheid in een periode van onzekerheid. Tegelijkertijd kunnen zij de onderliggende verandering niet stoppen. Technologie en economische organisatie ontwikkelen zich onafhankelijk van nostalgie. Stabiliteit ontstaat uiteindelijk niet door terugkeer naar oude structuren, maar door het ontwikkelen van nieuwe vormen die passen bij de veranderde werkelijkheid.

Vanuit systeemperspectief is de huidige onrust daarom niet alleen een probleem, maar ook een aanwijzing dat er een nieuw evenwicht op komst is. Complexe systemen worden in de meeste gevallen robuuster na een faseovergang, omdat inefficiënte structuren verdwijnen en nieuwe vormen van samenwerking ontstaan. De uitkomst staat echter niet vast. De richting waarin ons economisch systeem zich ontwikkelt hangt af van politieke keuzes, institutioneel ontwerp en maatschappelijke verbeeldingskracht.

Nieuwe vormen van energieproductie, digitale samenwerking, gedeelde infrastructuren en alternatieve eigendomsmodellen bestaan al, maar functioneren nog naast oude structuren. De overgang is zichtbaar, maar nog niet voltooid. In perioden van systeemverandering is instabiliteit een symptoom van aanpassing. Onzekerheid wijst dus niet noodzakelijk op verval, maar is ook een voorwaarde voor herordening. Het heden draagt in die zin al de contouren van de toekomst in zich.

Kennis, intellectueel eigendom en platformen in een economie van overvloed

Een van de meest ingrijpende, maar nog onvoldoende begrepen veranderingen binnen het huidige economische systeem betreft de rol van platformen, intellectueel eigendom en kennis zelf. Gedurende het grootste deel van de economische geschiedenis was schaarste vanzelfsprekend. Grond was schaars, arbeid was schaars, energie was schaars en goederen moesten met aanzienlijke inspanning worden geproduceerd en verspreid. Eigendom en prijsmechanismen ontstonden als manieren om deze schaarste te organiseren. Wie iets bezat, kon anderen uitsluiten en die uitsluiting vormde de basis van economische waarde.

Vanuit deze logica ontstond ook het intellectueel eigendom. Innovatie vereiste soms forse investeringen in onderzoek, ontwikkeling en distributie. Zonder bescherming zouden concurrenten nieuwe ideeën eenvoudig kunnen kopiëren, waardoor investeringen moeilijk terug te verdienen waren. Patenten, auteursrechten en licenties boden daarom een tijdelijk monopolie in ruil voor innovatie. Zij creëerden kunstmatige schaarste rond ideeën die zelf niet schaars waren, maar waarvan de productie dat wel was.

De technologische omstandigheden waarin deze logica ontstond, zijn echter fundamenteel veranderd. Digitale technologie heeft de kosten van het kopiëren en verspreiden van kennis vrijwel tot nul gereduceerd. Een ontwerp, een tekst, een algoritme of een idee kan wereldwijd worden gedeeld zonder dat de oorspronkelijke eigenaar het verliest. Anders dan bij fysieke goederen leidt gebruik door de één niet tot minder beschikbaarheid voor de ander. Kennis gedraagt zich daarmee fundamenteel anders dan materiële goederen. Waar fysieke productie is gebaseerd op schaarste, is kennis per definitie niet-rivaliserend. Het delen van kennis vermindert haar waarde niet, kennis wordt niet minder door gebruik, maar vaak zelfs juist waardevoller naarmate zij breder wordt toegepast.

Lange tijd bleef dit verschil economisch beperkt zichtbaar, omdat het kopiëren en verspreiden van kennis zelf nog kosten met zich meebracht. Boeken moesten worden gedrukt, muziek moest worden opgenomen, software moest fysiek worden verspreid. Digitalisering heeft deze beperking grotendeels opgeheven. De marginale kosten van reproductie zijn richting nul bewogen. Daarmee verandert kennis van een schaars goed in een overvloedig goed.

Hier ontstaat een fundamentele spanning binnen het huidige economische systeem. Intellectueel eigendom probeert exclusiviteit te handhaven in een domein dat technologisch steeds minder exclusief kan zijn. Naarmate reproductie goedkoper wordt, nemen de kosten van handhaving toe. Juridische bescherming, licentiecontrole en technologische beperkingen worden intensiever, terwijl tegelijkertijd de maatschappelijke voordelen van open kennisdeling steeds duidelijker zichtbaar worden. Open source software, wetenschappelijke samenwerking en publieke databanken laten zien dat innovatie vaak juist versnelt wanneer kennis vrij kan circuleren. Niet uit idealisme, maar uit efficiëntie.

De economische logica hierachter is eenvoudig maar diepgaand. Kennis is cumulatief. Nieuwe ideeën ontstaan door voort te bouwen op bestaande kennis. Wanneer toegang wordt beperkt, vertraagt het innovatietempo. Wanneer kennis vrij kan circuleren, ontstaan nieuwe combinaties en toepassingen. Wat gedeeld wordt, wordt niet minder, maar juist meer. Kennisdeling werkt daardoor als een vermenigvuldiger van innovatie.

De opkomst van generatieve AI versnelt deze ontwikkeling verder. Waar digitalisering de verspreiding van kennis goedkoper maakte, maakt AI ook de productie van kennis goedkoper. Teksten, ontwerpen, analyses en software kunnen in toenemende mate automatisch worden gegenereerd. Kennisproductie verschuift daarmee van een schaars naar een overvloedig proces. Dit betekent niet dat kennis waardeloos wordt. Integendeel. Kennis wordt overvloedig beschikbaar, waardoor haar economische waarde verschuift. Niet langer het bezit van kennis zelf is bepalend, maar de context waarin kennis wordt toegepast: selectie, interpretatie, vertrouwen en organisatie.

Hier ontstaat opnieuw een belangrijke paradox van de moderne economie. Naarmate kennis overvloediger wordt, verliest exclusief eigendom zijn centrale rol als bron van economische macht. Het wordt steeds moeilijker om waarde te baseren op het uitsluiten van anderen van informatie die zich moeiteloos laat kopiëren en verspreiden. Overvloed betekent echter niet dat schaarste volledig verdwijnt; zij verschuift. Wanneer productie en reproductie van kennis overvloedig worden, ontstaat een nieuw knelpunt: coördinatie. In een wereld waarin vrijwel alles kan worden gemaakt en gedeeld, wordt niet productie maar organisatie de beperkende factor.

Juist op dit punt zijn er een nieuwe spelers ontstaan in het economisch krachtenveld: de platforms. Wanneer kennis en digitale goederen overvloedig worden, verschuift economische macht naar de partijen die toegang organiseren en informatiestromen ordenen. Platformen bezitten vaak niet de kennis zelf, maar bepalen wel welke kennis zichtbaar wordt, hoe zij wordt gecombineerd en onder welke voorwaarden zij kan worden gebruikt. Daarmee organiseren zij de nieuwe schaarste van de digitale economie: niet schaarste aan ideeën, maar schaarste aan aandacht, vertrouwen en coördinatie.

Daarmee verschuift de centrale economische vraag van de eenentwintigste eeuw langzaam. Van “wie bezit de kennis?”, naar “wie organiseert de toegang tot kennis?” Platformen spelen precies op dit punt een steeds grotere rol. Niet omdat zij kennis bezitten, maar omdat zij de infrastructuur bezitten waarin kennis wordt gevonden, gecombineerd en toegepast. Intellectueel eigendom verandert daarmee geleidelijk van een fundamenteel ordeningsprincipe in een overgangsmechanisme. De waarde van exclusiviteit neemt af, terwijl de waarde van infrastructuur en toegang toeneemt.

In deze verschuiving ligt de overgang besloten naar een nieuwe economische realiteit — een realiteit waarin niet langer bezit, maar toegang en organisatie de doorslag geven en waarin economische instituties zich zullen moeten aanpassen aan de logica van overvloed.

Waar overvloed nieuwe schaarste creëert

Wanneer kennis en digitale goederen overvloedig worden, verandert niet alleen de manier waarop waarde ontstaat, maar ook de plaats waar economische macht zich concentreert. In een economie waarin ideeën eenvoudig kunnen worden gekopieerd en verspreid, wordt het steeds moeilijker om duurzame economische positie te ontlenen aan het bezit van kennis alleen. De vraag verschuift dan onvermijdelijk van productie naar organisatie. Niet het bestaan van aanbod vormt de beperking, maar de ordening ervan. Naarmate meer kennis, producten en diensten beschikbaar komen, neemt de behoefte toe aan systemen die selectie, coördinatie en toegang organiseren.

Hier ontstaat de economische rol van platforms. Platforms zijn in essentie geen producenten, maar organisatoren van interactie. Zij verbinden vraag en aanbod, structureren informatie en verlagen zoekkosten. Dat maakt hen bijzonder efficiënt in een omgeving waarin het aanbod vrijwel onbeperkt groeit. Hoe groter het aanbod, hoe waardevoller het systeem dat orde aanbrengt. Dit mechanisme leidt tot een fundamenteel andere vorm van economische concentratie dan in de industriële economie. Traditionele monopolies ontstonden doordat productie schaars of kapitaalintensief was. Platformmacht ontstaat doordat netwerken zichzelf versterken. Hoe meer gebruikers een platform heeft, hoe waardevoller het wordt voor nieuwe gebruikers. Dit creëert sterke netwerkeffecten, waardoor schaal zichzelf versterkt.

De software achter een platform is in veel gevallen relatief eenvoudig te kopiëren. De marktmacht niet. Die ligt besloten in het netwerk zelf: in de gebruikers, de data, de gewoonten en de afhankelijkheden die zich in de loop van de tijd opbouwen. Hierdoor ontstaat een dynamiek waarin één of enkele spelers een dominante positie verwerven. Niet omdat zij kennis bezitten die anderen niet hebben, maar omdat zij de toegang tot interactie organiseren. Dit verklaart waarom in een economie van overvloed nieuwe vormen van schaarste ontstaan. Terwijl kennis vrijer circuleert dan ooit en er meer goederen en diensten worden geproduceerd dan ooit, worden de toegangspoorten tot kennis en markten juist centraler. De schaarste verschuift van inhoud naar positie.

Generatieve AI versterkt deze ontwikkeling opnieuw. Wanneer de productie van teksten, beelden, software en analyses steeds goedkoper wordt, groeit de hoeveelheid beschikbare output exponentieel. Daarmee neemt ook de behoefte toe aan systemen die bepalen wat zichtbaar wordt, wat betrouwbaar is en wat relevant blijft. De economische waarde verschuift daardoor verder van creatie naar selectie en distributie. Het gevolg is een paradox die kenmerkend is voor de hedendaagse economie. Technologie maakt productie democratischer, omvangrijker en goedkoper, maar tegelijkertijd worden de infrastructuren waarin productie plaatsvindt steeds bepalender. Overvloed aan output creëert schaarste aan coördinatie.

In deze context moet platformmacht niet worden gezien als een tijdelijke ontsporing van het kapitalisme, maar als een logische fase in een systeem dat zich aanpast aan nieuwe technologische omstandigheden. Wanneer productie geen beperking meer vormt, verschuift economische macht naar degenen die de stroom van informatie, goederen en interacties organiseren. Daarmee verandert ook de aard van economische competitie. Niet langer gaat het primair om wie het beste product maakt, maar om wie de omgeving beheert waarin producten worden gevonden en gebruikt. Infrastructuur wordt belangrijker dan eigendom, en toegang belangrijker dan bezit.

Deze verschuiving markeert een diepere verandering in de economische structuur. Waar intellectueel eigendom ooit bedoeld was om innovatie mogelijk te maken door tijdelijke schaarste te creëren, ontstaat nu een economie waarin innovatie juist versnelt door overvloed. De uitdaging verschuift daarmee van bescherming naar organisatie: hoe kan toegang worden ingericht zonder dat nieuwe vormen van concentratie de voordelen van overvloed tenietdoen?

Die vraag vormt het begin van de volgende stap in de economische ontwikkeling — een stap waarin niet langer productie, maar institutionele inrichting bepaalt hoe de opbrengsten van overvloed worden verdeeld. Dat deze concentratie kan ontstaan, is echter niet uitsluitend een technologisch verschijnsel. Platformmacht wordt mede gevormd door institutionele keuzes: mededingingsregels, eigendomsrechten rond data, interoperabiliteit en de wijze waarop digitale infrastructuren worden gereguleerd. Net zoals eerdere economische systemen mede werden gevormd door wetgeving rond arbeid, kapitaal en concurrentie, zal ook de economie van digitale infrastructuren uiteindelijk afhankelijk zijn van de institutionele kaders waarbinnen zij functioneert.

Technologie bepaalt wat mogelijk wordt, maar instituties bepalen hoe die mogelijkheden zich vertalen in economische macht. Het huidige economische systeem met zijn bijbehorende instituties is gebouwd om schaarste te organiseren, terwijl technologische ontwikkeling juist steeds meer overvloed creëert.

De spanning die we vandaag ervaren is niet een gevolg van economische achteruitgang van een systeem dat nog functioneert volgens aannames uit een tijd van structurele schaarste.

Deel 2: De Productie van Overvloed

In het eerste deel werd beschreven hoe de huidige economische ordening steeds vaker wringt met de werkelijkheid waarin het moet functioneren. Onze instituties — van arbeidsmarkt tot belastingstelsel — zijn ontstaan in een tijd waarin arbeid, energie en productiecapaciteit schaars waren. Economische ordening betekende daarom in essentie het organiseren van schaarste: bepalen wie toegang kreeg tot beperkte middelen en hoe die verdeeld werden.

Wat vandaag zichtbaar wordt, is dat die veronderstelling langzaam begint te verdwijnen. Niet omdat schaarste volledig verdwijnt, maar omdat in meerdere domeinen tegelijk de kosten van productie structureel dalen. Technologie maakt het mogelijk om arbeid, energie, transport en zelfs voedselproductie op een schaal te organiseren die steeds minder afhankelijk is van menselijke inzet en steeds minder begrensd wordt door fysieke beperkingen. Maar niet alleen dat. Wat vroeger schaars was, wordt tegen steeds lagere kosten reproduceerbaar. Dat wringt en leidt in toenemende mate tot gevoelens van onzekerheid en stuurloosheid. Niet omdat het slechter gaat met de wereld of de economie, maar omdat oude zekerheden verdwijnen voordat nieuwe zichtbaar zijn, voelt vooruitgang vaak als verlies.

Intussen verschuift daarmee ook de economische vraag. Niet langer staat centraal hoe we omgaan met tekorten, maar hoe we omgaan met toenemende overvloed. Deze verschuiving voltrekt zich niet in één sector en ook niet door één technologie. Zij ontstaat uit het samenvallen van verschillende ontwikkelingen die elkaar versterken. Artificiële arbeid maakt menselijke inzet minder noodzakelijk in productie en dienstverlening. De overgang naar energie uit zon, wind en opslag verlaagt de verbruikskosten van energie richting nul. Nieuwe productietechnieken, zoals precisiefermentatie, vertical farming en vergaande automatisering, maken de voedselproductie steeds minder afhankelijk van land, arbeid en grondstoffen. Autonoom transport vermindert de kosten van mobiliteit en logistiek.

Op zichzelf zijn dit technologische innovaties, maar samen veranderen zij de economische logica. Voor het eerst in de geschiedenis ontstaat een situatie waarin meerdere productiefactoren tegelijk hun schaarste verliezen. Dat betekent niet dat economische problemen verdwijnen, maar dat zij van karakter veranderen. Wanneer de productieomvang niet langer de beperkende factor is, verschuift de aandacht onvermijdelijk naar verdeling, toegang en institutionele inrichting.

De economie verschuift daarmee van het organiseren van schaarste naar het organiseren van overvloed. De vraag is niet of deze ontwikkeling wenselijk is — zij voltrekt zich al — maar hoe diep haar gevolgen zullen reiken voor arbeid, inkomen en de stabiliteit van het economische systeem.

Artificiële Arbeid: wanneer menselijk arbeid haar vanzelfsprekendheid verliest

Van alle ontwikkelingen die werken in de richting van een economie van overvloed zijn de veranderingen op het gebied van arbeid waarschijnlijk de meest ingrijpende — en tegelijk de moeilijkst voorstelbare. Niet omdat deze technologie helemaal nieuw is, maar omdat arbeid zo diep verweven is geraakt met ons economische en maatschappelijke denken dat we haar nauwelijks nog als historische constructie herkennen.

Gedurende het grootste deel van de menselijke geschiedenis was arbeid schaars. Productie was direct afhankelijk van menselijke tijd en fysieke inzet. Meer produceren betekende eenvoudigweg: meer mensen laten werken, langer laten werken, of harder laten werken. Economische groei vertaalde zich daardoor ook vaak in meer werkgelegenheid en uiteindelijk in hogere lonen. Arbeid vormde niet alleen de motor van productie, maar ook de basis van inkomensverdeling, belastingheffing en sociale zekerheid.

Die relatie begint nu te verschuiven. Met de opkomst van artificiële arbeid ontstaat voor het eerst een situatie waarin menselijke inzet niet langer de beperkende factor hoeft te zijn in productie en dienstverlening. Kunstmatige intelligentie kan informatie verwerken, analyseren en genereren. Robots kunnen fysieke taken uitvoeren zonder vermoeidheid of leercurve. Digitale systemen kunnen processen organiseren en optimaliseren zonder voortdurende menselijke tussenkomst. Zodra een taak voldoende voorspelbaar is, kan zij in principe worden gereproduceerd zonder menselijke arbeid.

Het cruciale punt is niet dat machines mensen vervangen, maar dat arbeid daardoor zelf schaalbaar wordt. Waar menselijke arbeid altijd begrensd was door beschikbare tijd en aanwezigheid, kan artificiële arbeid vrijwel onbeperkt worden gekopieerd. Een eenmaal ontwikkeld systeem kan tegelijkertijd duizenden of miljoenen taken uitvoeren tegen minimale extra kosten. Daarmee verandert arbeid economisch van karakter. Zij wordt minder een schaarse input en meer een reproduceerbare productiefactor.

Dat proces verloopt niet abrupt, maar geleidelijk en herkenbaar. Eerst verdwijnt menselijke arbeid bij taken waarin herhaling centraal staat: sommige industriële taken, eenvoudige taken in de landbouw en veeteelt, administratieve taken, standaardanalyses, routinematige communicatie, delen van softwareontwikkeling en sommig juridisch werk. Daarna verschuift arbeid waarin interpretatie belangrijk is maar de context stabiel blijft, zoals planning, diagnostiek en delen van management. Mensen blijven betrokken, maar steeds vaker als toezichthouder in plaats van uitvoerder.

Het is nog de vraag wat er zal gebeuren met de arbeid waarvan de waarde juist ligt in menselijke aanwezigheid zelf — zorg, onderwijs, coaching, ambachtelijk werk, creatief en sociaal werk. Niet omdat technologie dat niet zou kunnen vervangen, maar omdat de economische waarde hier niet alleen in efficiëntie zit, maar ook in vertrouwen, nabijheid en authenticiteit.

Hier ontstaat een paradox die voor veel mensen nog tegenintuïtief voelt. Juist wanneer een samenleving rijker en productiever wordt, zal de economische waarde van een groot deel van de traditionele arbeid onder druk komen te staan. Niet omdat die arbeid minder belangrijk wordt, maar omdat menselijke arbeid minder noodzakelijk wordt voor productie.

Dat heeft gevolgen voor de manier waarop inkomen ontstaat. In een markteconomie waarin productie steeds minder menselijke arbeid vereist, vloeit een steeds groter deel van de opbrengst naar degene die de productiemiddelen bezit — de software, de robots, de infrastructuur. Dit is geen nieuw verschijnsel; ook eerdere industrialiseringsgolven kenden deze tendens. Het verschil is dat artificiële arbeid niet één sector raakt, maar potentieel alle sectoren van de economie, ook die waarin kennis, analyse en niet-routinematig handelen een rol speelt.

Daardoor verliest arbeid geleidelijk haar dubbele functie. Zij blijft een manier om bij te dragen aan de samenleving, maar wordt minder vanzelfsprekend de primaire manier om inkomen te verkrijgen. Hier ontstaat spanning met onze bestaande instituties. Moderne samenlevingen gaan er impliciet van uit dat economische participatie en arbeidsdeelname samenvallen. Belastingen worden geheven op arbeid, sociale zekerheid is gekoppeld aan arbeid, en maatschappelijke waardering is vaak ook verbonden met beroep en carrière. Wanneer arbeid minder noodzakelijk wordt in de productie, komt niet alleen de arbeidsmarkt onder druk te staan, maar het gehele institutionele bouwwerk dat daarop rust.

De vraag die hierdoor ontstaat is niet of mensen zullen blijven werken. Mensen hebben altijd gewerkt — uit noodzaak, maar ook uit ambitie, nieuwsgierigheid en sociale betrokkenheid. De vraag is eerder waarom en onder welke voorwaarden arbeid nog een toegangspoort tot inkomen blijft in een economie waarin productie daar steeds minder van afhankelijk is.

In die zin is artificiële arbeid geen uitzondering, maar onderdeel van een bredere ontwikkeling. Want dezelfde beweging voltrekt zich ook bij andere productiefactoren. Net zoals arbeid schaalbaar wordt, begint ook energie haar schaarste te verliezen. En wanneer zowel arbeid als energie overvloediger worden, verandert de economische logica fundamenteler dan in welke eerdere technologische overgang ook.

Energie: wanneer ook energie haar schaarste verliest

Waar artificiële arbeid de relatie tussen arbeid en productie verandert, voltrekt zich op de achtergrond een minstens zo ingrijpende verschuiving. Lange tijd bleef energie, ondanks technologische vooruitgang, een structureel schaarse factor in de economie. Industriële groei was direct verbonden met toegang tot fossiele brandstoffen. Wie over goedkope fossiele energie beschikte, kon produceren, transporteren en groeien. De beschikbaarheid van energie vormde daarmee een harde ondergrens onder economische activiteit.

De overgang naar een energiesysteem gebaseerd op zon, wind en opslag verandert deze verhouding fundamenteel. Fossiele energie is per definitie schaars. Zij moet worden gewonnen, getransporteerd en verbrand, met veel energieverlies in alle fasen van dit proces. Elke eenheid energie vereist daarbij opnieuw winning van grondstoffen. Hernieuwbare energie werkt anders. Zodra zonnepanelen, windturbines en batterijen zijn geplaatst, zijn de marginale kosten van energieproductie vrijwel nul. De zon stuurt geen rekening. De wind evenmin. Wat resteert zijn vooral investeringskosten en infrastructuur.

Dat verschil lijkt technisch, maar is economisch ingrijpend. Een energiesysteem waarin de kosten vooral vooraf worden gemaakt, en niet per geproduceerde eenheid, gedraagt zich anders dan een systeem waarin elke extra kilowattuur geld kost. Op momenten van overvloed — nu nog tijdens zonrijke dagen en winderige nachten, maar geleidelijk aan gedurende steeds langere perioden — wordt energie feitelijk zo goedkoop dat zij nauwelijks nog als schaarse productiefactor functioneert.

Net als bij artificiële arbeid verschuift daarmee de economische logica. Energie verandert van een variabele kostenpost naar een beschikbare infrastructuur. Productieprocessen kunnen zich aanpassen aan momenten van overvloed in plaats van aan momenten van schaarste. Industrie, datacenters, waterstofproductie en zelfs voedselproductie kunnen plaatsvinden wanneer energie overvloedig beschikbaar is, in plaats van wanneer zij duur moet worden ingekocht. De prijs van energie wordt daardoor steeds minder bepalend voor de uiteindelijke kosten van productie.

Dit effect wordt versterkt doordat energie en artificiële arbeid elkaar wederzijds versterken. Goedkope energie maakt automatisering goedkoper. Automatisering maakt energieproductie en -beheer efficiënter. Beide ontwikkelingen verlagen tegelijkertijd de kosten van productie. Historisch gezien is dit uitzonderlijk. Eerdere economische groeifasen werden vaak begrensd door stijgende energieprijzen. Groei leidde tot hogere vraag naar energie, en daarmee tot hogere kosten. In een systeem waarin energieproductie schaalbaar is, werkt dat mechanisme anders. Meer productie leidt niet noodzakelijk tot hogere energiekosten, maar gaat juist samen met dalende kosten door schaalvoordelen en technologische verbetering.

Dat betekent niet dat energie onbeperkt beschikbaar wordt. Netwerken, opslagcapaciteit, ruimtegebruik en grondstoffen blijven reële beperkingen. Maar de aard van de schaarste verandert. Niet langer de energie zelf is schaars, maar de manier waarop zij wordt opgeslagen, verdeeld en ingepast in het landschap en de infrastructuur.

Voor de economie als geheel heeft dit verstrekkende gevolgen. Wanneer zowel arbeid als energie minder bepalend worden voor de kosten van productie, verschuift de economische aandacht van efficiëntie naar organisatie. De vraag wordt minder hoe we zo zuinig mogelijk produceren, en meer hoe we overvloedige capaciteit zinvol inzetten.

Daarmee raakt de energietransitie aan dezelfde institutionele spanning als artificiële arbeid. Ons economische systeem is ontworpen voor een wereld waarin energie duur en beperkt was. Prijsmechanismen, belastingstructuren en markten zijn ingericht om schaarste te verdelen. In een systeem waarin overvloedige energie steeds vaker voorkomt, beginnen die mechanismen anders te werken. Negatieve elektriciteitsprijzen zijn daarvan geen anomalie, maar een voorbode van een systeem dat nog niet is aangepast aan zijn eigen technologische mogelijkheden.

De overgang naar een systeem gebaseerd op zon, wind en opslag is daarom meer dan een klimaatmaatregel. Zij verandert de economische onderlaag waarop de productie rust. Net zoals artificiële arbeid de rol van menselijke inzet verandert, verandert overvloedige energie de grenzen waarbinnen economische activiteit zich kan ontwikkelen.

En wanneer zowel arbeid als energie hun traditionele schaarste verliezen, wordt zichtbaar dat de economie niet langer primair wordt begrensd door de omvang van de productiecapaciteit. De beperkingen verschuiven naar andere domeinen — naar organisatie, verdeling en institutionele inrichting. Precies daar zal de volgende fase van economische aanpassing zich moeten voltrekken.

Voedsel: schaalbare voedselproductie

Na arbeid en energie raakt dezelfde ontwikkeling nog een domein waarbinnen schaarste altijd als vanzelfsprekend werd beschouwd: de voedselproductie. Eeuwenlang was de voedselproductie direct verbonden met land, seizoenen, klimaat en menselijke arbeid. Voedselproductie groeide langzaam en bleef afhankelijk van fysieke grenzen. Meer voedsel betekende meer benodigde grond, meer dieren, meer arbeid en meer benodigde natuurlijke hulpbronnen.

Nieuwe productietechnieken beginnen deze relatie te veranderen. Precisiefermentatie — het gecontroleerd inzetten van micro-organismen om specifieke eiwitten, vetten en andere moleculen te produceren — maakt het mogelijk om voedsel en grondstoffen te produceren zonder de traditionele tussenstap van landbouw en veeteelt. In plaats van een dier of plant te laten groeien, wordt direct geproduceerd wat economisch relevant is: de bouwstenen van voedsel zelf.

Economisch gezien betekent dit opnieuw een verschuiving van schaarste naar reproduceerbaarheid. Wanneer productie plaatsvindt in gecontroleerde omgevingen, wordt zij minder afhankelijk van landoppervlak, weersomstandigheden en biologische groeicycli. Productie kan worden opgeschaald zoals industriële processen. Door meer capaciteit toe te voegen in plaats van meer grond te gebruiken. Net als bij artificiële arbeid en hernieuwbare energie verschuiven de kosten deels van variabele inputs naar initiële investeringen en technologie.

De implicatie daarvan reikt verder dan voedsel alleen. Een aanzienlijk deel van de huidige landbouwproductie wordt gebruikt voor inefficiënte omzettingen. Grote hoeveelheden plantaardige energie worden omgezet in dierlijk eiwit, met aanzienlijke verliezen onderweg. Precisiefermentatie omzeilt deze stap. Daardoor kan dezelfde hoeveelheid voedingswaarde met aanzienlijk minder energie, water en ruimte worden geproduceerd. Wat economisch gezien betekent dat de marginale kosten van bepaalde voedingscomponenten structureel kunnen dalen.

Een zelfde ontwikkeling zien we andere “nieuwe” vormen van landbouw, zoals vertical farming en de inzet van geavanceerde plant- en oogstrobots. Ook hier is sprake van een hoge initiële investering, met als gevolg lagere marginale kosten. En ook hier zien we een afnemende afhankelijkheid van grondgebruik, van de weersomstandigheden en van de inzet van menselijke arbeid.

Dit proces verandert niet alleen de voedselprijs, maar ook de rol van landbouw in de economie. Landbouw is historisch altijd een sector geweest waarin natuurlijke schaarste een dominante rol speelde. Oogsten mislukten, prijzen fluctueerden en voedselzekerheid was een politieke en maatschappelijke prioriteit. Naarmate voedselproductie minder afhankelijk wordt van natuurlijke variatie en beter voorspelbaar wordt, verschuift voedsel van een kwetsbare naar een stabielere productiesector.

Net als bij arbeid en energie ontstaat echter geen volledige overvloed, maar een verschuiving van waar de beperkingen liggen. Niet voedsel zelf blijft schaars, maar zaken als landgebruik, biodiversiteit, landschap en culturele waarde van landbouw. De economische functie van landbouw verandert daarmee deels van pure productie naar beheer van ruimte en ecosysteem. Ook hier versterkt technologie andere ontwikkelingen. Goedkope energie verlaagt de kosten van fermentatieprocessen. Automatisering vermindert de benodigde arbeid. Logistieke systemen maken distributie efficiënter. De verschillende schaalbare technologieën versterken elkaar, waardoor de kosten van alle basisvoorzieningen gelijktijdig onder druk komen te staan.

Voor de economische structuur is dit van groot belang. Voedsel, energie en arbeid vormen samen de historische basis van bestaanszekerheid. Wanneer in al deze drie domeinen de productiekosten dalen en productie schaalbaar wordt, verschuift de aard van economische onzekerheid. Het probleem wordt steeds minder hoe voldoende geproduceerd kan worden, maar meer hoe productie, ruimtegebruik en inkomensverdeling worden georganiseerd in een situatie waarin fysieke grenzen steeds minder bepalend zijn.

Dat betekent niet dat traditionele landbouw geheel verdwijnt. Net zoals menselijke arbeid waarschijnlijk niet volledig verdwijnt in een wereld van artificiële arbeid, blijft waarschijnlijk ook landbouw bestaan waarbij menselijke voorkeuren, kwaliteit, regionale identiteit en ecologische functies een rol spelen. Maar haar economische positie verandert. Niet langer is efficiënte productie het centrale doel. De waarde verschuift meer naar kwaliteit, duurzaamheid en betekenis.

Precisiefermentatie, vertical farming en de inzet van slimme robots zijn daarmee geen geïsoleerde voedselinnovatie, maar onderdeel van dezelfde bredere beweging. Net zoals artificiële arbeid arbeid reproduceerbaar maakt en hernieuwbare energie energie overvloediger maakt, maakt schaalbare voedselproductie materiële basisvoorzieningen minder afhankelijk van schaarse natuurlijke inputs.

En opnieuw ontstaat dezelfde vraag die zich door deze hele ontwikkeling heen aftekent: wanneer de productie van basisvoorzieningen minder wordt begrensd door arbeid, energie en grond, wat wordt dan nog de organiserende schaarste van de economie?

Transport en logistiek: wanneer mobiliteit schaalbaar wordt

Naast arbeid, energie en voedsel raakt dezelfde ontwikkeling ook de manier waarop goederen en mensen zich verplaatsen. Transport en logistiek vormen al eeuwen de stille ruggengraat van de economie. Productie vindt zelden plaats op dezelfde plek als consumptie; economische groei was daarom altijd afhankelijk van de kosten en snelheid waarmee afstand kon worden overbrugd.

Historisch gezien waren die kosten aanzienlijk. Transport vereiste menselijke arbeid, brandstof, planning en fysieke infrastructuur. Afstand betekende tijd, risico en kosten. Daardoor bepaalden logistieke beperkingen in hoge mate waar productie plaatsvond en hoe economische netwerken zich ontwikkelden.

Ook hier begint de onderliggende logica te verschuiven. Autonome voertuigen, geautomatiseerde distributiecentra en door algoritmen aangestuurde logistieke netwerken maken transport steeds minder afhankelijk van menselijke arbeid en maken een steeds efficiënter gebruik van de bestaande infrastructuur mogelijk. Vrachtwagens die vrijwel continu kunnen rijden, schepen die optimaal worden beladen en routes die realtime worden aangepast aan vraag en aanbod veranderen transport van een arbeidsintensieve activiteit in een grotendeels geautomatiseerd systeem.

In combinatie met de energietransitie krijgt deze ontwikkeling een extra dimensie. Elektrisch transport heeft aanzienlijk lagere operationele kosten dan transport op fossiele brandstoffen, vooral wanneer energie overvloedig beschikbaar is. Wanneer voertuigen autonoom functioneren én energie goedkoop is, dalen de marginale kosten van transport aanzienlijk. Het verplaatsen van goederen wordt dan minder een afzonderlijke kostenpost en meer een geïntegreerd onderdeel van productie.

Economisch betekent dit dat afstand minder bepalend wordt. Wanneer transport steeds goedkoper wordt, verliezen geografische beperkingen een deel van hun economische betekenis. Productie kan plaatsvinden waar zij het efficiëntst is, zonder dat transportkosten automatisch een beperkende factor vormen. Tegelijkertijd maakt efficiëntere logistiek het mogelijk om productie dichter bij consumptie te organiseren, omdat kleinere productiestromen economisch haalbaar worden. Globalisering en regionalisering kunnen daardoor paradoxaal genoeg gelijktijdig plaatsvinden.

Net als bij arbeid, energie en voedsel verschuift ook hier de aard van schaarste. Niet de beweging zelf blijft schaars, maar ruimte, infrastructuurcapaciteit en maatschappelijke acceptatie. Wegen, havens en steden kennen fysieke grenzen. De economische uitdaging verschuift daarmee van het organiseren van transport naar het organiseren van ruimte en doorstroming.

Ook hier versterkt transport de andere schaalbare technologieën. Goedkope energie maakt elektrisch vervoer aantrekkelijker. Automatisering verlaagt personeelskosten. Digitale systemen verbinden productie, opslag en distributie tot één continu proces. Het resultaat is een logistiek systeem waarin beweging steeds minder afhankelijk wordt van menselijke inzet en steeds meer een infrastructuurfunctie krijgt.

Wanneer arbeid, energie, voedselproductie én transport tegelijk schaalbaarder worden, verandert de economische betekenis van productie fundamenteel. De kosten van het maken, verplaatsen en beschikbaar stellen van goederen dalen tegelijkertijd. Opnieuw betekent dit dat de centrale economische vraag verschuift. Niet langer staat centraal hoe goederen geproduceerd en vervoerd kunnen worden, maar hoe toegang, eigendom en gebruik worden georganiseerd in een economie waarin fysieke beperkingen minder dominant zijn.

En ook hier wordt zichtbaar dat de grootste veranderingen niet technologisch zijn, maar institutioneel. Want een systeem dat is ontworpen om schaarste te verdelen, moet zich opnieuw uitvinden wanneer overvloed steeds vaker het uitgangspunt wordt.

De productie van kennis: wanneer informatie onbeperkt reproduceerbaar wordt

Naast arbeid, energie, voedsel en transport verandert ook de productie van kennis zelf van karakter. Lange tijd was kennis een van de meest schaarse productiefactoren in de economie. Expertise vereiste jarenlange opleiding, ervaring en toegang tot informatie. Organisaties ontleenden hun kracht aan gespecialiseerde kennis die moeilijk te verkrijgen en nog moeilijker te reproduceren was.

Die schaarste neemt snel af. Digitale technologie heeft kennis en informatie al eerder schaalbaar gemaakt door informatie wereldwijd toegankelijk te maken. Wat nu verandert, is dat systemen niet alleen informatie opslaan en verspreiden, maar deze ook kunnen genereren, combineren en toepassen. Kunstmatige intelligentie kan teksten schrijven, ontwerpen maken, analyses uitvoeren en oplossingen voorstellen op een snelheid en schaal die menselijke kennisproductie overstijgt.

Hierdoor verandert ook kennis economisch van aard. Waar kennis vroeger vooral lag opgeslagen in mensen en organisaties, wordt zij steeds vaker onderdeel van een infrastructuur. Een eenmaal ontwikkeld model kan tegelijkertijd door miljoenen gebruikers worden ingezet. De kosten van extra gebruik, van een extra analyse, ontwerp of tekst naderen daarmee nul. Net als bij artificiële arbeid ontstaat een situatie waarin een activiteit die ooit schaars was, vrijwel gratis reproduceerbaar wordt.

Dit heeft ingrijpende gevolgen voor hoe waarde ontstaat. In een economie waarin kennis en informatie schaars is, ligt waarde bij degene die beschikt over die informatie en kennis. In een economie waarin kennis breed beschikbaar wordt, verschuift waarde naar toepassing, interpretatie en context. Het bezit van informatie verliest aan betekenis; het vermogen om haar zinvol te gebruiken wordt belangrijker.

Dat verklaart waarom juist nu menselijke vaardigheden zoals oordeelsvermogen, vertrouwen en creativiteit aan belang winnen, terwijl kennisarbeid onder druk komt te staan. Niet omdat deze minder belangrijk wordt, maar omdat zij minder exclusief wordt. Ook hier dalen de marginale kosten van productie. Een ontwerp kan eindeloos worden gekopieerd. Software kan wereldwijd worden verspreid zonder extra productiekosten. Onderwijs, advies en analyse kunnen op schaal worden aangeboden zonder evenredige toename van arbeid. De productie van kennis wordt daarmee vergelijkbaar met andere schaalbare technologieën: de kosten liggen voornamelijk in ontwikkeling, niet in gebruik.

De gevolgen reiken verder dan individuele beroepen. Moderne economieën zijn in toenemende mate kennisintensief geworden. Een groot deel van de toegevoegde waarde bestaat uit ontwerp, onderzoek, marketing, software en organisatie. Wanneer juist deze activiteiten schaalbaar worden, verandert de structuur van economische waardecreatie.

Net als bij de andere domeinen verschuift de schaarste. Niet kennis zelf blijft schaars, maar aandacht, betrouwbaarheid en betekenis. In een wereld waarin informatie overvloedig beschikbaar is, wordt het vermogen om onderscheid te maken tussen relevante en irrelevante kennis economisch en maatschappelijk cruciaal. Vertrouwen wordt daarmee een nieuwe productiefactor.

De productie van kennis versterkt bovendien alle hiervoor beschreven ontwikkelingen. Artificiële arbeid is afhankelijk van digitale kennis. Energie- en transportsystemen worden aangestuurd door informatie. Precisiefermentatie en geautomatiseerde voedselproductie zijn onmogelijk zonder geavanceerde modellen en data-analyse. Kennis wordt daarmee de verbindende laag van een economie waarin meerdere productiefactoren tegelijkertijd schaalbaar worden.

Wanneer arbeid, energie, voedselproductie, transport en kennisproductie allemaal in de richting bewegen van steeds lagere productie kosten, wordt zichtbaar hoe uitzonderlijk deze historische fase is. Niet één sector verandert, maar de voorwaarden waaronder economische waarde ontstaat.

En daarmee verschuift opnieuw de kernvraag van de economie. Niet langer hoe kennis geproduceerd kan worden, maar hoe haar opbrengsten worden verdeeld en hoe maatschappelijke instituties omgaan met een werkelijkheid waarin toegang tot informatie nauwelijks nog begrensd is, maar betekenis en vertrouwen juist schaarser worden.

Wanneer productie niet meer het probleem is

Wanneer deze ontwikkelingen afzonderlijk worden bekeken, lijken zij vooral technologische vernieuwingen binnen bestaande sectoren. Nieuwe vormen van arbeid, nieuwe energiebronnen, nieuwe manieren van voedselproductie, efficiënter transport of snellere kennisontwikkeling. Maar in samenhang ontstaat een ander beeld. Dan wordt zichtbaar dat niet één sector verandert, maar de economische onderlaag zelf.

Voor het eerst in de geschiedenis verliezen meerdere productiefactoren tegelijkertijd hun vanzelfsprekende schaarste. Arbeid wordt schaalbaar door artificiële systemen. Energie wordt steeds goedkoper en overvloediger door zon, wind en opslag. Voedselproductie wordt minder afhankelijk van land en biologische beperkingen. Transport wordt efficiënter en minder arbeidsintensief. Kennis wordt reproduceerbaar tegen vrijwel nul kosten. Elk van deze ontwikkelingen afzonderlijk zou al betekenisvol zijn. Hun gelijktijdigheid maakt de verandering fundamenteel.

Economische systemen zijn altijd gevormd door wat schaars was. In agrarische samenlevingen was land bepalend. In industriële samenlevingen arbeid en energie. Instituties, markten en politieke keuzes ontstonden rondom de vraag hoe met die schaarste moest worden omgegaan. Wie toegang had tot arbeid, energie of grondstoffen bepaalde uiteindelijk de verdeling van welvaart. Wanneer al deze factoren minder schaars worden, verschuift de economische vraag onvermijdelijk.

Productie zelf wordt steeds minder het probleem. In veel sectoren zien we dat al gebeuren. De technische capaciteit om meer te produceren is vaak groter dan de daadwerkelijke vraag. Bedrijven concurreren niet langer alleen op productiviteit, maar op aandacht, merk, vertrouwen en toegang tot markten. Economische waarde verschuift van het maken van dingen naar het organiseren van hun gebruik. Dat betekent niet dat schaarste verdwijnt. Zij verandert van aard.

Waar productie niet meer wordt begrensd door arbeid en energie, ontstaan nieuwe beperkingen elders. Ruimte blijft eindig. Natuurlijke ecosystemen kennen grenzen. Menselijke aandacht is beperkt. Vertrouwen en sociale cohesie laten zich niet opschalen zoals technologie dat kan. Juist in een economie van toenemende materiële overvloed kunnen deze immateriële factoren bepalend worden voor stabiliteit en welvaart.

Hier wordt zichtbaar waarom de spanning uit het eerste deel ontstaat. Onze instituties zijn ontworpen voor een wereld waarin productie de centrale uitdaging was. Werk vormde de toegang tot inkomen omdat arbeid noodzakelijk was voor productie. Belastingen werden geheven waar economische activiteit zichtbaar was: bij loon, bij energieverbruik, bij fysieke productie. Groei betekende meer werk, meer energiegebruik en meer materiële output.

In een economie waarin productie minder afhankelijk wordt van arbeid en energie, beginnen deze verbanden los te raken. Productie kan toenemen zonder dat werkgelegenheid evenredig groeit. Welvaart kan stijgen zonder dat inkomens automatisch meebewegen. Economische zekerheid wordt daardoor minder vanzelfsprekend gekoppeld aan economische productiviteit. Dit is geen plotselinge breuk, maar een geleidelijke verschuiving. Lange tijd kan een systeem blijven functioneren terwijl de onderliggende werkelijkheid al verandert. Maar naarmate meer productiefactoren hun schaarste verliezen, wordt het steeds moeilijker om een economisch model dat gebaseerd is op schaarste stabiel te houden.

De kern van de economische vraag verschuift daarmee. Niet langer staat centraal hoe we voldoende produceren, maar hoe we toegang organiseren tot wat geproduceerd kan worden. Niet langer hoe we arbeid zo efficiënt mogelijk inzetten, maar hoe inkomen en maatschappelijke bijdrage zich tot elkaar verhouden wanneer arbeid minder noodzakelijk wordt voor productie. Precies hier eindigt de technologische analyse en begint de institutionele vraag.

Want economische systemen passen zich uiteindelijk altijd aan hun materiële werkelijkheid aan. De industriële samenleving ontwikkelde nieuwe instituties toen mechanisatie de rol van arbeid veranderde. Sociale zekerheid, arbeidsrecht en publieke voorzieningen ontstonden niet uit ideologie, maar uit noodzaak. Zij maakten een nieuwe economische realiteit bestuurbaar. De huidige overgang stelt een vergelijkbare vraag, maar onder andere omstandigheden. Wanneer arbeid, energie, kennis en productie tegelijkertijd schaalbaar worden, ontstaat een economie waarin overvloed technisch mogelijk is, maar institutioneel nog niet georganiseerd.

Elke grote economische overgang eindigt niet in het falen van het systeem, maar in het ontstaan van nieuwe regels die beter passen bij de werkelijkheid die technologie heeft gecreëerd. De vraag die dan resteert is onvermijdelijk: welke instituties passen bij een economie waarin productie niet langer de beperkende factor is, maar verdeling, toegang en maatschappelijke samenhang?

Die vraag vormt het vertrekpunt voor het volgende deel.

Deel 3: Het organiseren van overvloed: nieuwe instituties voor een nieuwe werkelijkheid

De instituties die vandaag de dag onze economie ordenen — arbeid als basis van inkomen, belasting op productie en loon, sociale zekerheid gekoppeld aan werk — zijn niet ontstaan omdat zij moreel superieur waren, maar omdat zij pasten bij een wereld waarin arbeid, energie en productie schaars waren. Zij maakten een industriële samenleving bestuurbaar.

In de voorgaande delen werd zichtbaar dat juist die onderliggende voorwaarden veranderen. Arbeid wordt in toenemende mate schaalbaar, energie overvloediger, kennis reproduceerbaar en productie minder afhankelijk van menselijke inzet. De economie verschuift daarmee van het organiseren van schaarste naar het omgaan met overvloed. Wat ooit het probleem was — voldoende produceren — wordt steeds minder een beperkende factor.

Het is echter niet de technologische ontwikkeling alleen die bepaalt hoe de economische orde eruit komt te zien. Nieuwe productiemogelijkheden kunnen alleen op een maatschappelijk stabiele manier worden ingepast, wanneer ook de regels, instituties en verdelingsmechanismen zich aanpassen aan de nieuwe technische mogelijkheden.

De geschiedenis van eerdere economische transities laat zien dat juist in zo’n overgangsfase de belangrijkste keuzes worden gemaakt. Niet over nieuwe technologie, maar over de manier waarop samenlevingen besluiten de gevolgen van deze technologie te organiseren. Wanneer goederen en diensten door technologische ontwikkeling in overvloed kunnen worden geproduceerd, verschuift de centrale economische vraag. De economische uitdaging verschuift van het vergroten van de productie naar het organiseren van de gevolgen van de productie.

Dit vraagt om een fundamenteel andere vormgeving van de economische instituties. Economische instituties zoals eigendomsrechten, belastingstelsels, arbeidsmarkten, sociale zekerheid en mededingingsregels, zijn historisch ontstaan om schaarste te organiseren. Zij bepaalden wie toegang kreeg tot de beperkte middelen en onder welke voorwaarden. In een economie van overvloed waarin arbeid, energie en kennis steeds overvloediger beschikbaar komen, verliezen deze instituties hun oorspronkelijke functie. Waar instituties eerst vooral moesten zorgen voor een efficiënte verdeling van schaarse goederen, verschuift hun rol steeds meer naar het waarborgen van toegang tot die overvloed.

Wanneer goederen en diensten overvloedig beschikbaar zijn, verschuift schaarste naar andere domeinen: aandacht, vertrouwen, toegang en coördinatie. Dat zijn organisatorische en institutionele vraagstukken. De economische vraag wordt daarmee in toenemende mate institutioneel van aard. Niet de technologie bepaalt de uitkomst, maar de wijze waarop samenlevingen besluiten haar te organiseren.

Van arbeid als inkomensbron naar arbeid als maatschappelijke activiteit

In de industriële economie vervulde arbeid twee functies tegelijk. Zij was enerzijds een productiefactor — noodzakelijk om goederen en diensten voort te brengen — en anderzijds een mechanisme waarmee toegang tot inkomen en bestaanszekerheid werd georganiseerd. Wie werkte, droeg bij aan productie en ontving daarvoor inkomen. Deze koppeling gaf het economische systeem stabiliteit. Arbeid was niet alleen economisch noodzakelijk, maar ook een toegangspoort tot inkomen en daarmee tot de geproduceerde goederen en diensten.

In een economie waarin productie steeds minder afhankelijk wordt van menselijke arbeid, beginnen deze twee functies uiteen te vallen.

Productie ontstaat in toenemende mate in schaalbare systemen: energie-infrastructuren, automatisering, digitale netwerken en kennisplatforms. Dat betekent dat economische waarde kan groeien zonder dat daar evenredig meer menselijke arbeid tegenover staat. Daarmee ontstaat een institutionele spanning. Wanneer inkomen volledig afhankelijk blijft van betaalde arbeid, terwijl arbeid minder noodzakelijk wordt voor productie, ontstaat onzekerheid in een periode waarin de materiële welvaart juist toeneemt.

De institutionele uitdaging van een economie van overvloed is daarom niet het vervangen van arbeid, maar het opnieuw vormgeven van haar twee oorspronkelijke functies.

De eerste functie van arbeid — toegang tot inkomen en basiszekerheid — hoeft in een economie van overvloed niet langer volledig afhankelijk te zijn van de individuele arbeidsprestatie. Wanneer voedsel, energievoorziening, transport en basisdiensten steeds efficiënter en goedkoper kunnen worden geproduceerd, wordt het economisch mogelijk om een steeds groter deel van de bestaanszekerheid rechtstreeks te organiseren.

Dat kan verschillende vormen aannemen, maar de onderliggende logica is steeds dezelfde. Toegang tot basisvoorzieningen wordt minder een individueel verdienvraagstuk en kan steeds meer een collectieve infrastructuur worden. Zekerheid ontstaat dan niet uitsluitend via looninkomen, maar ook via gegarandeerde toegang tot essentiële voorzieningen zoals wonen, mobiliteit, energie, voedsel, zorg en onderwijs. In sommige varianten kan dit worden aangevuld met een vorm van basisinkomen of inkomensgarantie, niet als vervanging van betaalde arbeid, maar als stabiliserend fundament onder een economie waarin arbeid minder essentieel wordt.

Historisch gezien is dit geen radicale breuk. Openbaar onderwijs, publieke gezondheidszorg en collectieve pensioenstelsels waren eerdere stappen in dezelfde richting: voorzieningen die werden losgekoppeld van individuele verdiencapaciteit om maatschappelijke stabiliteit te waarborgen.

Wanneer bestaanszekerheid minder afhankelijk wordt van arbeid, verandert ook de tweede functie van werk. Arbeid verliest dan haar exclusieve economische noodzaak en kan sterker worden verbonden met maatschappelijke en persoonlijke waarde.

Veel activiteiten die vandaag de dag economisch ondergewaardeerd zijn, of zelfs onbetaald worden uitgevoerd — zorg voor anderen, vrijwilligerswerk, opvoeding, huishoudelijke arbeid, gemeenschapsvorming, cultuur, wetenschap, sport en creativiteit — dragen aantoonbaar bij aan maatschappelijke kwaliteit. Zij passen echter moeilijk binnen een systeem dat arbeid primair waardeert naar in geld uit te drukken productiviteit en schaarste. In een economie waarin materiële productie minder dominant wordt, ontstaat ruimte voor een bredere erkenning van de waarde van deze vormen van zingeving en maatschappelijke bijdrage.

Dit betekent niet dat betaald werk volledig verdwijnt, maar dat het zijn monopolie verliest als maatstaf voor maatschappelijke waarde. Werk wordt minder een middel om inkomen te verkrijgen en onbetaald werk wordt meer gewaardeerd om haar maatschappelijke waarde en bron van zingeving. De herwaardering van onbetaalde arbeid is daarmee geen culturele keuze, maar een economische consequentie van toenemende productiviteit.

Wanneer menselijk arbeid niet langer de beperkende factor is in de productie, verschuift ook de manier waarop de productie wordt verdeeld. In de industriële samenleving werd productiviteitswinst vooral vertaald in hogere inkomens. In een economie van overvloed wordt tijd zelf een belangrijke vorm van welvaart. Arbeidstijdverkorting ligt in dat perspectief voor de hand. Niet als crisismaatregel, maar als logisch gevolg van stijgende productiviteit. Kortere werkweken, langere verlofregelingen, ruimere mogelijkheden voor ouderschap, studie, sabbaticals en een geleidelijke verlaging van de pensioenleeftijd passen in een systeem waarin economische output minder afhankelijk is van arbeidsparticipatie.

Waar de industriële economie gericht was op het optimaliseren van de efficiency van de ingezette arbeid, kan een economie van overvloed zich juist richten op het optimaliseren van levenskwaliteit over de gehele levensloop. Werk en vrije tijd kunnen minder strikt gescheiden fasen in de dagbesteding worden evenals meer afwisselende periodes van bijdrage, ontwikkeling en herstel.

Wanneer deze drie ontwikkelingen samenkomen — bestaanszekerheid die minder afhankelijk is van arbeid, een bredere waardering van de individuele maatschappelijke bijdrage en een andere verdeling van tijd — ontstaat een nieuw institutioneel evenwicht. Arbeid blijft bestaan, maar verliest haar rol als fundament onder economische stabiliteit.

De centrale vraag verschuift daarmee van het creëren van voldoende werk naar het organiseren van een brede deelname aan welvaart en maatschappelijke activiteit. Niet iedereen hoeft op dezelfde manier of in dezelfde mate productief te zijn om volwaardig deel te nemen aan de samenleving.

In die zin vormt de economie van overvloed geen afscheid van arbeid, maar een herdefiniëring ervan. Waar arbeid in de industriële samenleving vooral een economische noodzaak was, kan zij in toenemende mate een maatschappelijke en individueel gewenste keuze worden.

Kapitaal, eigendom en de organisatie van productiviteit

In de industriële economie vormt kapitaal, naast arbeid, een belangrijke productiefactor. In een economie waarin automatisering, artificiële arbeid en schaalbare technologie een steeds grotere rol spelen, neemt het relatieve belang van kapitaal in de waardecreatie toe.

In economische zin verwijst kapitaal naar de productiemiddelen waarmee productie mogelijk wordt gemaakt en productiviteit wordt verhoogd: machines, infrastructuur, kennis, software en organisatorische systemen. Eigendom bepaalt vervolgens wie zeggenschap heeft over deze productiemiddelen en wie bepaalt wie de opbrengsten ervan ontvangt. Zolang menselijke arbeid de beperkende factor in productie vormde, verliep inkomensvorming voor een groot deel ook via menselijke arbeid. Kapitaal verhoogde de productiviteit van arbeid, maar bleef mate afhankelijk van menselijke inzet.

De technologische ontwikkeling verandert deze verhouding geleidelijk. Digitale systemen, automatisering en energie-infrastructuren hebben als kenmerk dat zij, eenmaal ontwikkeld, op grote schaal kunnen worden ingezet zonder verdere inzet van menselijke arbeid. De productie wordt daardoor steeds minder afhankelijk van menselijke inzet.

Dit heeft een voorspelbaar economisch gevolg. Wanneer de productie steeds meer voortkomt uit kapitaalintensieve en schaalbare systemen, zal een steeds groter deel van het inkomen voortvloeien uit eigendom van die systemen. Zonder aanpassing van instituties zal inkomen en vermogen zich daardoor steeds meer concentreren bij de eigenaren van het productief kapitaal. Dit is geen moreel oordeel en ook geen resultaat van bewuste sturing, maar een systeemuitkomst van stijgende productiviteit en cumulatieve rendementen.

De huidige ontwikkeling verschilt daarbij van eerdere technologische versnellingen. Nooit eerder werd productie in deze mate schaalbaar. Daardoor kunnen verschillen in eigendom nog sterker doorwerken in inkomensvorming dan in eerdere industriële fases het geval was. Eigendom wordt daarmee steeds belangrijker als mechanisme waarlangs economische opbrengsten worden verdeeld.

Daarmee verschuift opnieuw de institutionele vraag. Als arbeid minder vanzelfsprekend de primaire bron van inkomen vormt, terwijl inkomen steeds sterker samenhangt met eigendom van productieve systemen, ontstaat de vraag hoe toegang tot dat eigendom wordt georganiseerd. Niet omdat eigendom problematisch zou zijn, maar omdat de historische koppeling tussen arbeid, productie en inkomen minder automatisch functioneert.

In verschillende economieën ontstaan nu al vormen waarin toegang tot productief kapitaal breder wordt georganiseerd zonder het principe van eigendom zelf te verlaten. Werknemersparticipatie, collectieve investeringsfondsen, pensioenfondsen als kapitaalbezitters en publieke infrastructuren die inkomsten genereren voor de samenleving als geheel, kunnen worden gezien als institutionele aanpassingen aan dezelfde ontwikkeling. Zij vormen geen breuk met het economische systeem, maar pogingen om de relatie tussen productiviteit en inkomensverdeling stabiel te houden in een context waarin productie steeds minder afhankelijk wordt van individuele arbeid.

De onderliggende vraag is daarmee vergelijkbaar met die rond arbeid. Hoe kan een economie functioneren wanneer een steeds groter deel van de productiviteit voortkomt uit schaalbare systemen in plaats van menselijke inzet. Net als bij eerdere economische transities ligt de uitkomst niet vast. Zij hangt af van de wijze waarop instituties zich aanpassen aan een veranderende economische werkelijkheid.

De staat als systeemarchitect

In een economie van overvloed waarin toegang tot infrastructuren centraal staat, verandert ook de rol van de staat. In de industriële economie fungeerde de staat vooral als correctiemechanisme: het herstellen van marktfalen, het beschermen van werknemers en het stabiliseren van conjunctuurschommelingen. De staat corrigeerde het systeem waar het tekortschoot.

In een economie waarin toegang tot infrastructuren bepalend wordt voor economische en maatschappelijke deelname, verschuift deze rol naar systeemarchitectuur. De staat bepaalt in toenemende mate de regels waaronder infrastructuren functioneren, hoe data wordt gebruikt, hoe toegang tot energie en kennis wordt georganiseerd en hoe concentratie van macht wordt begrensd. De nadruk verschuift daarmee van correctie achteraf naar ontwerp vooraf.

Dit betekent niet noodzakelijk meer of minder staat, maar een andere staat. Minder gericht op het stimuleren van de productie, meer op het ontwerpen van randvoorwaarden waaronder een economie van overvloed maatschappelijk stabiel kan functioneren. Net zoals spoorwegen, elektriciteitsnetten en onderwijsstelsels in eerdere perioden publieke structuren werden omdat zij systeemdragend waren, ontstaat vandaag een vergelijkbare discussie rond digitale infrastructuren, Artificiële Arbeid-systemen en energievoorziening.

Hiermee hangt ook een andere institutionele verschuiving samen namelijk rondom het begrip economische groei zelf. In een economie van schaarste betekende groei vooral meer productie. Meer goederen, meer arbeid, meer consumptie. Groei was noodzakelijk om de welvaart te vergroten en sociale spanningen te verminderen. Wanneer goederen en diensten tegen steeds lagere kosten en uiteindelijk in overvloed kunnen worden geproduceerd , verandert de betekenis van groei. De centrale vraag verschuift dan van kwantiteit naar kwaliteit: niet hoeveel er wordt geproduceerd, maar hoe worden de opbrengsten van de productie vertaald in zekerheid, welzijn en maatschappelijke stabiliteit.

De technologische ontwikkeling kan overvloed mogelijk maken, maar zij garandeert geen rechtvaardige of stabiele uitkomst. Zonder aanpassing van instituties kan dezelfde technologische ontwikkeling leiden tot nieuwe vormen van ongelijkheid, concentratie van macht of maatschappelijke onzekerheid. Niet omdat er te weinig wordt geproduceerd, maar omdat de mechanismen waarmee toegang tot die productie wordt georganiseerd niet zijn aangepast aan de nieuwe werkelijkheid.

Daarmee verandert ook de aard van economische vooruitgang. In eerdere periodes werd vooruitgang zichtbaar in meer productie, hogere inkomens en groeiende consumptie. In een economie waarin de productiviteit blijft stijgen, zal vooruitgang zich steeds vaker uiten in iets anders: minder noodzakelijke arbeid, grotere bestaanszekerheid, lagere kosten van levensonderhoud en meer ruimte voor maatschappelijke, sociale en creatieve activiteiten. De centrale vraag verschuift daarmee van hoe produceren we meer naar hoe gebruiken we de productiviteit om menselijke vrijheid te vergroten.

Dat maakt de huidige periode vergelijkbaar met eerdere grote economische overgangen. Tijdens de industrialisatie ontstonden nieuwe instituties omdat oude structuren niet langer aansloten bij de veranderde economische werkelijkheid. Arbeidsrecht, sociale zekerheid en publieke infrastructuur waren geen vanzelfsprekend gevolg van technologische vooruitgang, maar het resultaat van maatschappelijke keuzes over hoe nieuwe mogelijkheden moesten worden ingebed.

Ook vandaag ligt de uitkomst niet vast. De technologische ontwikkeling richting een wereld waarin goederen en diensten steeds minder schaars worden, creëert mogelijkheden, maar geen vanzelfsprekende richting. Net als in eerdere economische overgangsperiodes ontstaat stabiliteit pas wanneer instituties zich aanpassen aan de nieuwe werkelijkheid. Technologie verandert wat mogelijk is; samenlevingen bepalen hoe die mogelijkheden worden gebruikt.

In die zin vormt een economie van overvloed geen eindpunt van de economische ontwikkeling, maar een nieuwe fase waarin oude vanzelfsprekendheden verdwijnen. Waar economie lange tijd draaide om het omgaan met tekorten en materiële schaarste, komt nu steeds meer de vraag centraal te staan hoe de overvloed kan worden georganiseerd zonder dat nieuwe vormen van onzekerheid ontstaan. De uitdaging van de eenentwintigste eeuw is daarom niet langer primair economisch-technisch, maar institutioneel en maatschappelijk van aard. Hoe organiseren we een economie waarin vooruitgang niet betekent dat we nog méér kunnen produceren, maar dat we beter leren omgaan met wat al mogelijk is.

Achtergrondliteratuur

Actergrondliteratuur

De analyse in dit essay bouwt voort op een lange economische traditie waarin technologische vooruitgang, instituties en economische organisatie centraal staan. Economen als Joseph Schumpeter beschreven hoe innovatie bestaande economische structuren onder druk zet, terwijl Ronald Coase en John Kenneth Galbraith lieten zien dat moderne economieën niet uitsluitend uit markten bestaan, maar uit een complexe mix van markten, organisaties en instituties.

Recente economische theorieën, zoals het werk van Paul Romer over kennis als motor van groei en dat van Carlota Perez over technologische revoluties en institutionele aanpassing, helpen te begrijpen waarom perioden van snelle technologische vooruitgang vaak gepaard gaan met sociale en economische spanningen.

Tegelijkertijd tonen onderzoekers als Thomas Piketty en Joseph Stiglitz aan dat de verdeling van welvaart geen automatisch gevolg is van marktwerking, maar afhankelijk is van politieke en institutionele keuzes. Samen vormen deze inzichten de achtergrond voor de centrale vraag van dit essay: hoe organiseren we een economisch systeem dat niet langer schaarste beheert, maar overvloed mogelijk maakt.

Hieronder volgt een kort overzicht van de gebruikte achtergrond literatuur.

Economische Ordening; markten, overheden en instituties

  1. Ronald Coase, The Nature of the Firm (1937). Coase verklaart waarom bedrijven ontstaan als alternatief voor markttransacties. Zijn transactiekostentheorie ondersteunt de observatie dat moderne economieën hybride systemen zijn waarin markten en hiërarchische organisaties naast elkaar bestaan.
  2. Oliver Williamson, Markets and Hierarchies (1975). Williamson verdiept Coase’s analyse door economische organisatievormen te beschrijven als een continuüm tussen markt en planning.
  3. John Kenneth Galbraith, The New Industrial State (1967). Galbraith beschrijft grote ondernemingen als planmatige organisaties waarin managementbeslissingen belangrijker zijn dan prijsmechanismen — een directe parallel met de beschrijving van bedrijven als “kleine planeconomieën”.

Technologische ontwikkeling leidt niet alleen tot groei, maar ook tot schaalvergroting en concentratie van economische macht.

  1. Joseph Schumpeter, Capitalism, Socialism and Democracy (1942). Het concept van creatieve destructie verklaart hoe technologische innovatie bestaande economische structuren ondermijnt en nieuwe concentraties van economische macht kan creëren.
  2. Robert Solow, “A Contribution to the Theory of Economic Growth” (1956). Solow toont aan dat technologische vooruitgang de belangrijkste bron is van economische groei, wat aansluit bij de rol van technologie als onderliggende drijvende kracht in het essay.
  3. Erik Brynjolfsson & Andrew McAfee, The Second Machine Age (2014). Analyse van digitalisering en automatisering als exponentiële productiviteitsverhogers met distributieve gevolgen.

De verhouding tussen arbeid en kapitaal verandert fundamenteel wanneer technologie steeds meer productietaken overneemt.

  1. Karl Marx, Grundrisse (Fragment on Machines), ca. 1857–58. Marx beschrijft hoe technologische ontwikkeling de rol van menselijke arbeid in productie vermindert — een vroege formulering van de spanning tussen productiekrachten en economische instituties.
  2. Thomas Piketty, Capital in the Twenty-First Century (2013). Empirische onderbouwing van de verschuiving van inkomen richting kapitaalbezit en vermogensconcentratie.
  3. Joseph Stiglitz, The Price of Inequality (2012). Stiglitz benadrukt dat ongelijkheid mede het resultaat is van institutionele keuzes en marktvormgeving.

Economische systemen veranderen niet alleen door technologie, maar vooral doordat instituties zich aanpassen aan nieuwe omstandigheden.

  1. Douglass North, Institutions, Institutional Change and Economic Performance (1990). North verklaart economische ontwikkeling vanuit institutionele aanpassing aan veranderende omstandigheden.
  2. Carlota Perez, Technological Revolutions and Financial Capital (2002). Perez beschrijft hoe technologische revoluties pas stabiel worden nadat instituties zich aanpassen — een sterke theoretische basis voor het idee van economische faseovergangen.

Ook op internationaal niveau spelen instituties een doorslaggevende rol in economische ontwikkeling.

  1. Daron Acemoglu & James Robinson, Why Nations Fail (2012). Economische ontwikkeling wordt gekoppeld aan institutionele kwaliteit, niet alleen aan marktwerking.
  2. Dani Rodrik, The Globalization Paradox (2011). Analyse van spanningen tussen globalisering, nationale instituties en democratische legitimiteit.

In een kenniseconomie ontstaat een nieuwe spanning tussen overvloedige informatie en exclusieve eigendomsrechten.

  1. Kenneth Arrow, “Economic Welfare and the Allocation of Resources for Invention” (1962). Arrow beschrijft de spanning tussen innovatie en exclusieve eigendomsrechten op kennis.
  2. Paul Romer, “Endogenous Technological Change” (1990). Romer beschrijft kennis als niet-rivaliserend goed dat economische groei aandrijft en daarmee een essentieel fundament vormt voor de analyse van kennis als overvloedig productiemiddel.
  3. Elinor Ostrom, Governing the Commons (1990). Ostrom laat zien dat gedeelde hulpbronnen effectief collectief georganiseerd kunnen worden, wat relevant is voor open kennis en digitale commons.

Digitale technologieën creëren daarnaast nieuwe vormen van schaarste rond toegang, data en netwerken.

  1. Carl Shapiro & Hal Varian, Information Rules (1999). Economische analyse van informatiegoederen, marginale kosten en netwerkeffecten.
  2. Jean Tirole, The Theory of Industrial Organization (1988). Fundamenteel werk over marktmacht en concentratie, later toegepast op digitale markten.
  3. Nick Srnicek, Platform Capitalism (2016). Srnicek beschrijft platforms als dominante organisatievorm in een economie waarin data en toegang centraal staan.

De mogelijkheid van een economie van overvloed is al eerder voorzien door economen die de lange termijn van technologische ontwikkeling analyseerden.

  1. John Maynard Keynes, Economic Possibilities for our Grandchildren (1930). Keynes voorspelde dat technologische vooruitgang de centrale economische uitdaging zou verschuiven van productie naar verdeling en vrije tijd.
  2. Jeremy Rifkin, The Zero Marginal Cost Society (2014). Rifkin beschrijft hoe digitalisering en automatisering marginale kosten richting nul doen bewegen, met ingrijpende gevolgen voor de economische organisatie.

Bijlage: Hoe technologische vooruitgang leidt tot zichzelf versterkende kostendalingen

Bijlage: Hoe technologische vooruitgang leidt tot zichzelf versterkende kostendalingen

Technologische vooruitgang wordt vaak voorgesteld als een reeks afzonderlijke innovaties: betere computers, goedkopere energie, slimmere software, geavanceerdere robots. In werkelijkheid ligt de betekenis niet zozeer in elke afzonderlijke ontwikkeling, maar in de manier waarop deze elkaar versterken. Daardoor ontstaat een mechanisme waarin kosten niet eenmalig dalen, maar structureel onder druk blijven staan.

Een goed vertrekpunt is de rol van arbeid in de economie. Lange tijd bestonden de meeste kosten uit menselijke inzet. Productie was duur omdat elke extra eenheid opnieuw arbeid vereiste: een extra uur van een leraar, een extra dienst van een verpleegkundige, een extra werkdag in een fabriek. Kosten waren daarmee een voortdurende stroom. Wie meer produceerde, had ook voortdurend meer mensen nodig.

Met de opkomst van artificiële arbeid — software, AI-systemen en robots — verandert dat principe. Een AI-systeem dat teksten schrijft, diagnoses ondersteunt of ontwerpen maakt, vervangt niet alleen arbeid op één moment, maar blijft dat werk daarna herhalen zonder dat de kosten per toepassing opnieuw ontstaan. De investering ligt vooral aan het begin: het ontwikkelen van het systeem, het trainen van het model, het bouwen van de infrastructuur. Zodra dat gebeurd is, worden de kosten van gebruik zeer laag. Hetzelfde geldt voor industriële robots. De aanschaf is kostbaar, maar daarna kunnen zij jarenlang produceren zonder loon, zonder pauzes en met minimale extra kosten per product.

Hier verschuift de kostenstructuur fundamenteel. Waar kosten vroeger vooral een stroomgrootheid waren — lonen, energieverbruik, grondstoffen — worden zij steeds meer een voorraadgrootheid: een eenmalige investering die vervolgens langdurig praktisch zonder extra kosten gebruikt kan worden. De economische logica verandert daarmee. Het gebruik of verbruik bepaalt niet langer de kosten, maar de initiële investering in het systeem.

Dit principe zien we ook in de energieproductie. Zonnepanelen en windturbines zijn relatief duur om te installeren, maar leveren daarna jarenlang vrijwel gratis energie. Dat goedkope energiegebruik verlaagt vervolgens de kosten van datacenters. Goedkopere datacenters maken AI-toepassingen goedkoper. AI helpt op zijn beurt weer bij het ontwerpen van efficiëntere chips, betere logistiek of geoptimaliseerde productieprocessen. Elke stap verlaagt indirect opnieuw de kosten van andere technologieën.

Het belangrijke punt is dat deze ontwikkelingen elkaar niet opvolgen, maar overlappen. Goedkopere rekenkracht maakt betere AI mogelijk, betere AI versnelt technologische ontwikkeling, en die ontwikkeling verlaagt opnieuw de kosten van rekenkracht en automatisering. De kosten dalen daardoor niet alleen door afzonderlijke innovaties, maar doordat technologie steeds vaker technologie zelf goedkoper maakt.

Tegelijkertijd verschuift ook de aard van economische waarde. Wanneer een product of dienst eenmaal digitaal of geautomatiseerd is, kost het nauwelijks meer om het nogmaals te leveren. Een extra gebruiker van software, een extra analyse door een AI-systeem of een extra product uit een geautomatiseerde productielijn vraagt nauwelijks extra inzet van arbeid. De marginale kosten naderen daarmee nul. Dat betekent dat de prijsdruk daarna structureel wordt.

Dit verklaart waarom in steeds meer sectoren de grootste kosten niet meer liggen in gebruik, maar in ontwikkeling, ontwerp en infrastructuur. Wie het systeem eenmaal heeft gebouwd, kan het tegen zeer lage kosten blijven inzetten. De economische dynamiek verschuift daarmee van een voortdurende kostenstroom naar een langdurige vrijwel gratis benutting van opgebouwde capaciteit.

Het gevolg is een zichzelf versterkend proces. Goedkopere technologie maakt nieuwe toepassingen mogelijk, die op hun beurt opnieuw kosten verlagen. De economie beweegt daarmee langzaam van een wereld waarin kosten vooral voortkwamen uit schaarse inzet, naar een wereld waarin kosten steeds vaker voortkomen uit de initiële investering.

Dit mechanisme helpt verklaren waarom een samenleving tegelijk steeds efficiënter kan worden en toch moeite heeft om dat als overvloed te ervaren. Onze instituties, prijzen en verwachtingen zijn nog grotendeels gebaseerd op een economie waarin kosten blijven terugkeren. In een economie waarin kosten steeds vaker vooraf worden gemaakt en daarna verdwijnen uit het gebruik, voelt vooruitgang minder als bevrijding en vaker als ontregeling. Juist daar ligt de overgang die in dit essay wordt beschreven.

Peter van der Wel (12026)

PS: Vanuit mijn achtergrond als econoom en toekomstonderzoeker kijk ik naar technische ontwikkelingen in een bredere maatschappelijke context. Vandaar deze economisch-politieke beschouwing over de toekomst van ons economisch systeem.

Ben je het eens met de boodschap van deze blog? Post hem op de socials en/of stuur hem door naar een collega of vriend waarvan je denkt dat ze hem ook interessant zullen vinden!  Kreeg je ’m zelf doorgestuurd?  Abonneer je hier gratis op nieuwe blogs.

PPS: Reacties zijn welkom. Je kunt ze mailen naar mijn mailadres.