De relatie tussen welvaart en inkomen

(leestijd 13 minuten)

Zoals bekend houden economen zich niet echt bezig met ‘geluk’. Economen werken wel met begrippen als ‘welvaart’ en ‘inkomen’. Ze gebruiken vaak de hoogte van het inkomen als maatstaf voor welvaart. In dit artikel onderzoek ik de relatie tussen inkomen en welvaart. Ik zal in dit artikel de welvaartstheorie verbinden met de bekende Keynesiaanse economische modellen. Dat levert een uitgebreid model op, dat niet alleen rekening houdt met de productie via het bedrijfsleven en de overheid maar ook met welvaartseffecten uit de natuur en uit de informele sector. We komen dan tot een model dat verder gaat dan de standaard, economische modellen.

Vier bronnen van welvaart

Laten we heel eenvoudig beginnen. Laten we beginnen met de veronderstelling dat de totale welvaart(W) wordt bepaald door de spanning die er bestaat tussen aan de ene kant de totale behoeften(B) en aan de andere kant de totale beschikbare hoeveelheid behoeftebevredigingsmiddelen(BbM).

Eenvoudiger geformuleerd: welvaart is gelijk aan de beschikbare hoeveelheid behoeftebevredigingsmiddelen (BbM) minus de aanwezige behoeften(B).

In formule kunnen we dat zo opschrijven:

W = BbM – B

Nu gaan we dit uitwerken. Lang geleden was de mens voor haar levensonderhoud en welvaart -in economische termen ‘behoeftebevrediging’ – volledig afhankelijk van de natuur. We mogen dan veronderstellen dat de hoeveelheid behoeftebevredigingsmiddelen die de mens toen aan de natuur kon onttrekken, gelijk was aan de hoeveelheid beschikbare natuur. Mensen gingen op een gegeven moment ingrijpen in de natuur. Ze bewerkten bijvoorbeeld vuurstenen tot vuistbijlen en stokken tot werpspiesen. Ze gingen pottenbakken en huiden bewerken. De mens leerde geleidelijk aan haar natuurlijke omgeving te manipuleren. Dat betekende het begin van de transformatie van de natuur.

Economen zeggen dan dat de mens ‘waarde ging toevoegen’ aan de onbewerkte natuur. Deze toegevoegde waarde komt voort uit de toevoeging van kennis en arbeid aan de onbewerkte natuur, ofwel aan grondstoffen. Dit ingrijpen leidde op een gegeven moment tot het ontstaan van landbouw en veeteelt en nog weer later tot ambachten en beroepen.

Economen noemen het ‘toevoegen van waarde’ ook wel produceren. De productie van behoeftebevredigingsmiddelen gebeurde in het begin alleen binnen de groep, de familie of het gezin. Er werd nog niet geproduceerd voor de verkoop of voor de ‘markt’ ook een economenterm. De waardetoevoeging die buiten de markt omgaat, noemen economen ook wel de informele productie. De beschikbare hoeveelheid behoeftebevredigingsmiddelen in de beginfase van de mensheid was gelijk aan de behoeftebevrediging uit de onbewerkte natuur, plus de toegevoegde waarde uit de informele productie. In een eenvoudige formule ziet dat er zo uit:

hoeveelheid behoeftebevredigingsmiddelen = hoeveelheid natuur + toegevoegde waarde

Tegenwoordig worden behoeftebevredigingsmiddelen ook geleverd door bedrijven, ofwel de marktsector. Daarnaast levert ook de overheid, ofwel de collectieve sector, behoeftebevredigingsmiddelen. Economen meten de hoeveelheid productie in de sectoren markt en overheid en beschouwen dat als de maatstaf voor de economische bedrijvigheid in een land. Zij noemen de totale productie in die twee sectoren daarom ook wel het Nationaal Product. Het Nationaal Product is dus gelijk aan de som van de productie in de bedrijven (marktsector) en de productie door de overheid (overheidssector).

Nationaal Product = Productie in marktsector + Productie in overheidssector

Economen tellen dus alle productie in de bedrijven (waarvoor we moeten betalen) en bij de overheid (waarvoor we belasting betalen) bij elkaar op en noemen dit het Nationaal Product. Het bedrag dat wij betalen aan de overheid en de bedrijven is gelijk aan het bedrag dat wordt ontvangen door de overheid en de bedrijven. Dit noemen ze het Nationaal Inkomen. De waarde van het Nationaal Product is daarmee per definitie gelijk aan het Nationaal Inkomen. Economen gebruiken meestal het symbool Y als symbool voor de waarde van het Nationaal Inkomen.

Nationaal Product = Nationaal Inkomen Ofwel: Nationaal Product = Y

De oorspronkelijke bronnen van welvaart

Bij de berekening van het Nationaal Product worden de behoeftebevredigingsmiddelen uit de natuur en de informele productie (de productie thuis en zelfvoorziening) doorgaans niet meegerekend. Als we het over onze totale behoeftebevrediging ofwel onze welvaart hebben, moeten we echter rekening houden met behoeftebevrediging uit alle bronnen. Ik onderscheid de volgende vier bronnen van welvaart of behoeftebevrediging:

  1. de natuur – behoeftebevrediging door de (kwaliteit en kwantiteit van de) natuurlijke omgeving
  2. de informele sector – behoeftebevrediging door zelfvoorziening of via (ruil met) buren, vrienden en bekenden
  3. de markt – betaalde behoeftebevrediging
  4. de collectieve sector (overheid) – behoeftebevrediging betaald uit de belasting

De totale hoeveelheid beschikbare behoeftebevredigingsmiddelen is dan gelijk aan de beschikbare hoeveelheid natuur, plus de toegevoegde waarde (ofwel productie) in de informele sector, plus de toegevoegde waarde (productie) in de marktsector, plus de toegevoegde waarde (productie) in de overheidssector.

Behoeftebevredigingsmiddelen = Natuur + Productie in informele sector + Productie in marktsector + Productie in overheidssector.

We kunnen dat ook zo opschrijven:

De beschikbare hoeveelheid Behoeftebevredigingsmiddelen is gelijk aan de beschikbare hoeveelheid Natuur, plus de Informele Productie plus het Nationaal Inkomen.

Korter geformuleerd: Behoeftebevredigingsmiddelen = Natuur + Informele Productie + Nationaal Inkomen

Dit maakt meteen duidelijk dat de hoogte van het Nationaal inkomen (Y) nog niet veel zegt over de totale hoeveelheid beschikbare behoeftebevredigingsmiddelen. We moeten daarvoor ook de behoeftebevrediging uit de andere sectoren meten.

De waarde van de natuur en van de productie in de informele sector, en de behoeften die daaruit worden bevredigd, zijn moeilijker te meten dan een inkomen. De waarde van een auto laat zich nog in geld uitdrukken, maar wat is de waarde van het eerste sneeuwklokje van het jaar of van een zelfgebreide trui?

Een tweede probleem doet zich voor. Er blijkt een negatief verband te zijn tussen de toename van de productie in de sectoren markt en overheid, en de beschikbare hoeveelheid behoeftebevrediging uit de sectoren natuur en de informele sector. Het blijkt dat een toename van de formele productie vaak ten koste gaat van de informele productie en de natuur.

Zoals we zagen is de informele productie, de productie binnen de directe sociale samenlevingsverbanden als familie, buurt en vriendenkring. Sinds zeker zo’n 150 jaar is in de informele sector sprake van een neiging naar ‘uitbesteding’. Productie die vroeger binnen het gezin, de familie of de buurt plaatsvond, is tegenwoordig vaak gecommercialiseerd en geprofessionaliseerd. Zeker de laatste vijftig jaar is deze trend duidelijk aanwezig. We wecken tegenwoordig nog maar zelden onze groenten uit eigen tuin. Groente haal je uit de diepvries, in blik of aangeleverd uit Spanje bij de groenteman of de buurtsuper. In plaats van het eten zelf klaar te maken, kopen we vaker voorbereide groenten of zelfs kant-en-klare magnetron- of diepvriesmaaltijden – als we al niet uit eten gaan. Vroeger vervulde het gezin, de familie of de buurt een belangrijke rol in de sociale en medische zorg. Tegenwoordig hebben we allerlei soorten georganiseerde en betaalde sociale en medische zorg zoals professionele kinderopvang en thuishulp. Ook voor ontspanning en vermaak maken we vaker gebruik van betaalde diensten, zoals tv en internet. Vroeger gingen we daarvoor naar familie, buren of een buurtvereniging, zonder ervoor te betalen. Daarom werd het niet meegeteld bij het bepalen van het Nationaal Inkomen en het Nationaal Product. Nu wel, want nu wordt ervoor betaald. Daarom lijkt het alsof we rijker zijn geworden. Als we alleen op de inkomensstatistieken of op ons salarisstrookje afgaan, lijkt het alsof we ook welvarender zijn geworden.

In werkelijkheid is hier sprake van ‘verschoven productie’. Een deel van de inkomensgroei is immers alleen maar een verschuiving van onbetaalde productie in huishoudens (informele productie) naar betaalde productie via de markt (formele productie). Zowel het individuele als het Nationaal Inkomen zijn dus onvolledig als welvaartsmaatstaf. Verschuivende productie leidt tot inkomensstijging, maar dat hoeft niet tot welvaartsstijging te leiden. De mens is nu eenmaal geen eendimensionaal wezen dat alleen maar werkt om diensten en producten te kunnen kopen. We ontlenen ook vreugde en plezier aan het werk zelf, vaak juist aan werk in de informele sfeer. Over het algemeen halen we er veel voldoening uit om zelf iets maken, te koken, te verbouwen, te repareren, te schrijven, te scheppen, om onze naasten te verzorgen en zelf onze kinderen op te voeden. Deze werkzaamheden hebben allemaal een intrinsieke waarde die verdwijnt als we deze zaken kant-en-klaar aanschaffen en uitbesteden aan een winkel of zorgverlener.

Vijfde bron van welvaart

Dan zijn er ook nog ‘externe effecten’. Met externe effecten bedoelen economen de neveneffecten van productie en consumptie die worden ervaren door andere personen dan de oorspronkelijke producent of consument. Er bestaan positieve en negatieve externe effecten. Deze verhogen of verlagen de welvaart van derden. Als ik een mooie boom in mijn tuin zet, kunnen de buren daarvan meegenieten. Dit is een positief extern effect. Een motorrijder die luid knallend door uw straat rijdt, kan een negatief extern effect opleveren. Ook externe effecten kunnen zo invloed hebben op ons gevoel van welzijn en op onze welvaart.

We kunnen nu al vijf bronnen van welvaart of behoeftebevrediging onderscheiden:

  1. De natuur – behoeftebevrediging door de (kwaliteit en kwantiteit van de) natuurlijke omgeving
  2. De informele sector – behoeftebevrediging door zelfvoorziening of via (ruil met) buren, vrienden en bekenden
  3. De markt – behoeftebevrediging in ruil voor geld
  4. De collectieve sector (overheid) – behoeftebevrediging in ruil voor belasting
  5. De externe effecten – behoeftebevrediging van derden door de onbedoelde (positieve of negatieve) gevolgen van productie en consumptie

We produceren en consumeren ook om te compenseren

Het welvaartseffect van de externe effecten is moeilijk te bepalen. Voorlopig wil ik daarom hier volstaan met de constatering dat een deel van de groei van het Nationaal Inkomen wordt besteed ter compensatie van de negatieve effecten. De productie in de sectoren ‘markt’ en ‘overheid’ roept in veel gevallen namelijk meer negatieve externe effecten op dan positieve. Het blijkt zelfs een wetmatigheid te zijn dat naarmate de hoeveelheid van de productie- en consumptieprocessen toeneemt, de negatieve externe effecten steeds meer de overhand krijgen. We krijgen dan te maken met verschillende vormen van vervuiling: horizonvervuiling, akoestische vervuiling, licht-, lucht-, bodem- en watervervuiling. Deze bijeffecten van de economische groei doen een deel van de welvaartsgroei van het nationaal product teniet. De hier genoemde voorbeelden van vervuiling wekken misschien de indruk dat externe effecten alleen ten koste gaan van de natuur, maar ook de behoeftebevrediging via de markt, de overheid en de informele sector staat onder invloed van negatieve externe effecten. De ‘bevredigingswaarde’ van een auto daalt naarmate er meer auto’s rondrijden die meer files veroorzaken of parkeerplaatsen bezet houden. De waarde van een huis daalt als het verkeer langs dat huis steeds drukker wordt.

Dat brengt mij tot een wellicht schrikbarende conclusie. Een groot deel van de goederen die we in de marktsector en de overheidssector produceren dient om de negatieve externe effecten van diezelfde productie te compenseren. Zelfs het ophalen van vuilnis, het aanleggen en onderhouden van de riolering en de waterleiding, het isoleren van ons huis tegen geluiden van buitenaf zijn voorbeelden van compenserende productie. Deze activiteiten zijn namelijk uiteindelijk ook noodzakelijk vanwege de toegenomen consumptie en productie. Als we goed kijken, zien we de voorbeelden overal om ons heen. Zwembaden compenseren gedeeltelijk de afwezigheid van natuurlijke waterrecreatie. Planten en bloemen in huis vervangen deels de verdwenen natuur buitenshuis.

Vooral als het gaat om de status van producten, spelen externe effecten een grote rol. Producten ontlenen hun waarde namelijk deels aan het feit dat ze schaars of bijzonder zijn. Als iedereen een Rolex of een privéjet zou hebben, vermindert de waarde van die producten. Hetzelfde geldt voor minder luxe artikelen. Een merkartikel heeft net wat meer status dan een huismerk, een merkloos artikel of een ‘nepper’, ook als dat laatste product dezelfde of zelfs een betere kwaliteit bezit. Het is met die statusgoederen een ‘rat-race’. Merkartikelen kunnen vandaag ‘in’ zijn en morgen ‘uit’.

Status kun je zien als een piramide. Hoe hoger in de piramide, hoe meer status. We kunnen helaas niet allemaal bovenin zitten. Veel mensen kopen om een zekere status te bereiken, bepaalde dure spullen. Als anderen ook die dure spullen kopen, moeten ze weer iets nieuws aanschaffen om weer de oude status te bereiken. Zo komen ze in een vicieuze cirkel terecht.

Het gaat nog verder. Bij nadere beschouwing blijkt in een complexe, technologisch hoogontwikkelde samenleving als de onze, dat een groot deel van de productie en consumptie nodig is om te kunnen voldoen aan de eisen die het leven in die informatiesamenleving stelt. Woonwerkverkeer is bijvoorbeeld nodig omdat er in de buurt van het werk geen geschikte woningen (meer) te vinden zijn, vakanties zijn nodig om bij te komen van de stress, extra onderwijs is nodig is om te kunnen voldoen aan de steeds hogere werkeisen van onze kenniseconomie, medische voorzieningen zijn nodig om de kwalen van de welvaartsmaatschappij te verhelpen. Dit zijn slechts enkele voorbeelden van consumptie die nodig is om de negatieve externe effecten van de toegenomen welvaart te compenseren.

Als we het totale welvaartseffect van ‘economische groei’ willen berekenen, moeten we bovendien ook nog rekening houden met de ‘sociale’ kosten van economische ontwikkeling. Voorbeelden van negatieve sociale effecten zijn de kosten van het uiteenvallen van traditionele samenlevingsverbanden, van de relationele kilte in de grote stad, zelfs deels de armoede in bepaalde delen van de wereld. Al die negatieve, externe effecten samen kunnen leiden tot een dalende welvaart bij een stijgend inkomen.

Meer welvaart is niet gelijk aan meer verdienen

Sinds 1900 is het Nationaal Inkomen in Nederland gestegen van 0,7 miljard euro tot ruim 1200 miljard euro in 2026. Bij een gemiddelde groei van 3 procent per jaar verdubbelt het Nationaal Inkomen elke 23 jaar. Bij gelijkblijvende groei zouden we dan na 730 jaar 10.000.000.000 maal zo rijk zijn. Zouden we dan ook 10 miljard maal zo welvarend zijn? Nee. Het is wel duidelijk dat we de groei van de welvaart niet zomaar gelijk mogen stellen aan de groei van het Nationaal Inkomen (Y). We zouden allereerst de economische groei, of nauwkeuriger geformuleerd de groei van het Nationaal Inkomen, moeten corrigeren met de inflatie. We krijgen dan wat economen de reële groei noemen. Gecorrigeerd met inflatie hadden de Nederlanders in 1900 gemiddeld per persoon per jaar ongeveer honderd euro te besteden. Nu is het gemiddelde jaarinkomen per Nederlander ongeveer 30.000 euro. Dat is driehonderd maal zo hoog.

Zoals blijkt uit de tekst hiervoor, is de groei van de beschikbare hoeveelheid behoeftebevredigingsmiddelen kleiner dan de groei van het inkomen. Tegenover een toegenomen productie in de sectoren ‘markt’ en ‘overheid’ staat namelijk een daling van de hoeveelheid behoeftebevredigingsmiddelen uit de informele sector. Vergeet ook niet de toename van negatieve externe effecten. Met andere woorden: het inkomensbegrip, en daarmee het welvaartsbegrip zoals wij dat meestal hanteren, beperkt zich tot slechts twee van de vijf sectoren. Deze beperking is intussen zo ingeburgerd dat we het meestal niet eens meer in de gaten hebben. Veel beslissingen op economisch gebied (zowel individuele als collectieve besluiten) zijn gebaseerd op deze beperkte afweging met daaruit voortvloeiende individueel en maatschappelijk ongewenste gevolgen op individueel en maatschappelijk niveau.

Het gaat nog verder. Ik durf te stellen dat het onjuist is om welvaart gelijk te stellen aan de beschikbaarheid van behoeftebevredigingsmiddelen. We kijken dan alleen maar naar de middelenkant en niet naar de behoeftekant. Ook dat is een verleidelijke maar gevaarlijke vereenvoudiging. Middelen zijn immers meetbaar, maar behoeften niet. Toch moet ook worden gekeken naar veranderende behoeften. Gaat een toegenomen productie misschien ook gepaard met toegenomen behoeften? Als dat zo is, dan leidt een toename van inkomen, zelfs als het wordt gecompenseerd voor alle negatieve bijeffecten, nog steeds niet automatisch tot een hogere welvaart.

Alles went en het gras is altijd groener bij de buren

Twee verschijnselen aan de behoeftekant hebben een duidelijke relatie met ontwikkelingen aan de inkomenskant, namelijk de verschijnselen preference drift en reference drift. Preference drift ofwel in het Nederlands voorkeursverschuiving is een vorm van gewenning. Alles went, dus ook meer inkomen of meer bezit. Stel dat u vorig jaar 50 procent salarisverhoging kreeg. Dat leek toen nogal wat: u kreeg er de helft bij. Inmiddels is uw uitgavenpatroon bijgesteld en na een jaar bent u gewend geraakt aan het hogere salaris. Dit heet gewenningsverlies van inkomensgroei.

Reference drift ofwel in het Nederlands referentieverschuiving is het verschijnsel dat mensen zich altijd vergelijken met hun omgeving als ze willen bepalen hoe rijk ze zijn. We hebben hiervoor al gezien dat statusgoederen, zoals dure auto’s en vakantiebestemmingen, hun waarde voor een deel ontlenen aan het feit dat ze schaars zijn. Wanneer deze goederen voor iedereen toegankelijk worden, bevredigen ze minder de behoefte aan status en onderscheid. Dit welvaartsverlies geldt ook voor inkomen. Als iedereen erop vooruitgaat, vinden we ook onze eigen inkomensstijging normaal.

Als u er niet op vooruit zou gaan ervaart u een gelijkblijvend inkomen zelfs als welvaartsverlies. We zouden dit het referentieverlies van inkomensgroei kunnen noemen. De relatieve hoogte van het inkomen blijkt belangrijker voor de waardering van het inkomen te zijn dan de absolute hoogte. Deze relatieve hoogte is sociaal bepaald en wordt aangegeven met de term referentieniveau. Een algemene inkomensstijging – bijvoorbeeld het feit dat we er in Nederland de laatste twintig jaar met z’n allen behoorlijk in inkomen op vooruit zijn gegaan – leidt ook automatisch tot een stijging van het ‘sociale norminkomen’. Dat is logisch. De mensen met wie we ons vergelijken, zijn er immers ook op vooruitgegaan. Daarom verandert ons inkomen relatief gezien niet, net zoals de subjectieve waardering van ons inkomen. We hebben namelijk niet het gevoel dat we er echt op vooruit zijn gegaan.

Samenvattend: in de gangbare economische theorie veronderstellen we een duidelijke relatie tussen welvaart en de hoogte van het Nationaal Inkomen. Hoe hoger het Nationaal Inkomen, hoe hoger de welvaart. We veronderstellen dit doorgaans ook voor het individuele inkomen: hoe meer we verdienen of bezitten, hoe hoger onze individuele welvaart. We zouden dat de welvaartscoëfficiënt (w) van het Nationaal Inkomen kunnen noemen. De welvaartscoëfficiënt kunnen we opvatten als een percentage van het inkomen. We stellen het in de gangbare economie en in de dagelijkse praktijk meestal gelijk aan 100 procent. Tweemaal zo veel inkomen betekent dus tweemaal zo veel welvaart. De voorbeelden in dit hoofdstuk laten zien dat die relatie lang niet zo eenduidig is.

Het multidimensionale model in formules

Ik wil het voorafgaande samenvatten in een model of formule. De formule laat zien dat de groei van het inkomen in ons land gepaard is gegaan met een daling van de welvaart.

Wie de formules wil overslaan, kan meteen het slot van dit hoofdstuk lezen.

We beginnen met de beschikbare hoeveelheid behoeftebevredigingsmiddelen:

BbM = N + Pi + Pb + Po + E

Hier staat dat de beschikbare hoeveelheid behoeftebevredigingsmiddelen (BbM) gelijk is aan de beschikbare hoeveelheid natuur (N) plus de productie in de informele sector (Pi) plus de productie in de marktsector (Pb) plus de productie in de overheidssector (Po) plus de hoeveelheid externe effecten (E).

Omdat het Nationaal Product (= Pb+Po) gelijk is aan het Nationaal Inkomen, mogen we Pb+Po vervangen door Y. We krijgen dan:

BM = N + Pi + Y + E

We hebben ook gezien dat er een relatie bestaat tussen de hoogte van het Nationaal Inkomen en de externe effecten: hoe hoger het Nationaal Inkomen, hoe groter de (negatieve) externe effecten. In een formule ziet dat er dan zo uit:

E =e.Y

Hierbij staat e voor het percentage externe effecten dat wordt veroorzaakt door het Nationaal Inkomen. We kunnen dus ook schrijven:

BM = N + Pi + Y + e.Y

Door de toename van inkomen en productie nemen ook onze behoeften toe. Ik veronderstel in navolging van denkers als Epicurus, Keynes en Galbraith het bestaan van een biologisch basisniveau van de behoeften (Bb) met daar bovenop het bestaan van een aangeleerde toename van de behoeften. Deze aangeleerde toename van de behoeften vindt plaats door gewenning en door het verschuiven van de sociale referentie. Ik heb dat eerder preferentie- en referentieverschuiving genoemd. In de formule hieronder staat dat de totale omvang van de behoeften (B) gelijk is aan het biologisch basisniveau van de behoeften (Bb) plus de toegenomen behoeften door gewenning (Bg) plus de verschuiving van het referentieniveau (Br).

B = Bb + Bg + Br

Ook de toegenomen behoeften door gewenning (Bg) en de verschuiving van het referentieniveau (Br) hebben een relatie met de hoogte van het inkomen. Ze nemen immers toe als het inkomen stijgt. We kunnen dat in een formule ook opschrijven als:

Bg = g.Y en Br = r.Y

De formule B = Bb + Bg + Br kunnen we dan ook opschrijven als:

B = Bb + g.Y + r.Y

Zoals we aan het begin van dit artikel zagen wordt de ondervonden welvaart (W) bepaald door de spanning die we ervaren tussen aan de ene kant de totale behoeften(B) en aan de andere kant de totale beschikbare hoeveelheid behoeftebevredigingsmiddelen(BbM). Eenvoudiger geformuleerd: welvaart is gelijk aan de beschikbare hoeveelheid behoeftebevredigingsmiddelen (BbM) minus de aanwezige behoeften(B).

In formule schreven we dit aldus op:

W = BbM – B

Nu gaan we deze formule wat anders opschrijven:

W = BM – B

W = N + Pi + Y + E – B

W = N + Pi + Y + e.Y – B

W = N + Pi + Y + e.Y – (Bb + g.Y + r.Y)

W = N + Pi + Y + e.Y– Bb – g.Y – r.Y

W = N + Pi – Bb + Y + e.Y– g.Y – r.Y

W = N + Pi – Bb + Y(1 + e – g – r)

De vraag is dan hoe hoog de som wordt van (1+ e – g – r).

Veronderstellen we bijvoorbeeld dat de negatieve externe effecten (e) 50 procent van de groei van het Nationaal Product tenietdoen en veronderstellen we de gewenning (g) en referentieverliezen (r) op 50 procent en 25 procent, dan ziet de welvaartsvergelijking er zo uit:

W = N + Pi – Bb +Y(1-0,5-0,5-0,25)

W = N + Pi – Bb – 0,25Y

Na al deze ingewikkelde herformuleringen kunnen we simpelweg concluderen, dat bij een stijgend Nationaal Inkomen de welvaart kan dalen. De figuur hieronder geeft weer, wat er met de welvaart gebeurt als de inkomensgroei wegvalt tegen de negatieve effecten van die inkomensgroei.

Het model in woorden

Ook voor degenen die de formules hiervoor hebben overgeslagen, volgen hier de conclusies van dit model. In de gangbare economische theorie veronderstellen we dat er een eenduidige relatie bestaat tussen de welvaart en de hoogte van het Nationaal Inkomen. We gaan ervan uit dat de welvaart mee stijgt met het Nationaal Inkomen. Dit veronderstellen we doorgaans ook voor het individuele inkomen: hoe rijker we worden of hoe meer we verdienen, hoe hoger onze welvaart.

Dit model maakt duidelijk dat deze redenering veel te simpel is. Inkomen is een beloning voor geleverd werk maar het kan niet dienen als maatstaf voor de behoeftebevrediging. Het zegt namelijk alleen iets over dat deel van de behoeftebevrediging dat via de markt- en de overheidssector verloopt en zelfs daarbij moeten we rekening houden met allerlei bijeffecten. Het uitgebreidere economische model dat ik hier presenteer maakt duidelijk dat inkomen totaal ongeschikt is als instrument om de welvaart te meten. Dit uitgebreidere model laat zelfs zien hoe de groei van de inkomens in de laatste decennia gepaard is gegaan met een daling van de welvaart. De groei van het inkomen vond gelijktijdig plaats met een daling van de beschikbare hoeveelheid behoeftebevredigingsmiddelen uit de informele productiesector, en met een toename van de negatieve externe effecten. Deze negatieve externe effecten hebben ook geleid tot een daling van de beschikbare hoeveelheid behoeftebevrediging uit de sector natuur. De formules in dit hoofdstuk laten ook zien hoe een stijgend inkomen leidt tot een toename van de behoeften. Een stijging van het Nationaal Inkomen leidt dus tot een daling van de totale welvaart.

U moet zich wel realiseren dat ik het hier heb gehad over grote algemene (macro) maatschappelijke verschijnselen. Deze kunnen voor iedereen afzonderlijk anders uitpakken. U kunt er ten opzichte van uw omgeving heel goed op vooruit zijn gegaan. Toch, als u er nog eens goed over nadenkt, concludeert u misschien dat u weliswaar wel over meer inkomen beschikt, maar tegelijkertijd hebt moeten inleveren op uw welvaart uit de bronnen informele productie (gezin) en natuur.

Het hierboven ontwikkelde multidimensionale model is daarom ook een uitnodiging tot verder onderzoek. Hoe ligt precies de relatie tussen inkomen en externe effecten? En tussen inkomen en preferentieverschuiving? Verder is er in dit model nog nauwelijks aandacht voor milieuvraagstukken, laat staan voor de ontwikkelingsvraagstukken uit de Derde Wereld. Ook dit zijn vraagstukken die een behoorlijke impact hebben op onze welvaart. Ik waag daarom in een volgend artikel een poging om ook deze zaken in dit model op te nemen.

Meer verdienen maakt ons niet automatisch welvarender. Maar begrijpen waarom, is de eerste stap naar een economie die dat wel doet.


Dit essay is een vereenvoudigde versie van hoofdstuk 7 van “Economie voor Wereldverbeteraars” door Peter van der Wel (2010).