Verscheen in De Optimist april 2024
Toekomsteconoom Peter van der Wel reflecteert op de manier waarop we onze welvaart hebben ingericht. Hij somt op wat er allemaal mankeert, maar komt ook met oplossingen.
DOOR: PETER VAN DER WEL
Onlangs konden we in de krant lezen dat het vermogen van de vijf rijkste mannen ter wereld sinds 2020 meer dan verdubbeld is. Het gezamenlijk vermogen van alle miljardairs in de wereld steeg ook, met 34 procent naar 3,3 biljoen dollar. Tegelijkertijd zijn er vijf miljard mensen armer geworden door inflatie, zo becijferde Oxfam Novib.
In de krant kunnen we ook lezen hoe consumenten steeds meer geld kwijt zijn aan dagelijkse boodschappen, hun gas, elektra, verzekeringen, nou ja, aan bijna alles, omdat grote multinationals hun prijzen voortdurend verder verhogen. Die grote bedrijven maken daarmee miljarden winsten, die ze vervolgens uitkeren aan hun aandeelhouders. En als diezelfde bedrijven dan een keer last hebben van economische tegenslag vragen ze doodleuk miljarden steun van onze overheden.
We lezen ook over woningzoekenden die jaren op een woning moeten wachten. Over de stijgende huizenprijzen waar projectontwikkelaars, verhuurders en investeerders profiteren. Over gewone mensen die zich zo’n dure woning in de stadscentra niet meer kunnen veroorloven.
‘Schoolkinderen beroven we van goed onderwijs door tekorten aan capabele leerkrachten.’
Roofeconomie
De rijken worden rijker, de armen worden armer. Dat zijn kenmerken van een roofeconomie. We plegen daarvoor roofbouw op werkenden die overuren moeten maken om de eindjes nog aan elkaar te kunnen knopen en soms zelfs twee banen nodig hebben om rond te kunnen komen. We plegen ook roofbouw op jonge ouders die een drukke en veeleisende baan moeten combineren met de zorg voor hun gezin. Daarmee beroven we hun kinderen van ouderlijke liefde en zorg.
Schoolkinderen beroven we van goed onderwijs door tekorten aan capabele leerkrachten. Hulpbehoevende senioren beroven we van mantelzorg, als hun kinderen te ver weg wonen of te druk zijn om nog voor hun oude vader of moeder te zorgen. Omwonenden van drukke wegen en luchthavens beroven we van stilte, schone lucht en een ongestoorde nachtrust.
We beroven kinderarbeiders in India van hun jeugd en gezondheid. We beroven vrouwen in overvolle naaiateliers in Bangladesh van een leefbaar inkomen. We kappen oerbossen om nog meer te kunnen consumeren. We beroven chimpansees, orang-oetans en andere bosdieren van hun laatste veilige toevluchtsoorden. We plegen roofbouw op uitgeputte landbouwgronden die alleen met steeds grotere hoeveelheden kunstmest nog voldoende kunnen opbrengen. Miljarden varkens, kippen, koeien en andere boerderijdieren beroven we van hun vrijheid. De natuur beroven we van de laatste restjes ongerepte bos, schone lucht en onvervuild water. We dumpen de oceanen vol visnetten, plastic soep, stookolie, radioactief afval en andere giftige stoffen. We roven de aarde leeg van kostbare grondstoffen. Van goud, lithium, kobalt, kolen of olie. We beroven onszelf van een toekomst zonder klimaatproblemen, van schone lucht voor onze kinderen, van een wereld met levensgeluk voor ons allen.
‘We kunnen de roofbouweconomie omvormen tot een welvaartseconomie.’
Herverdeling
En waarom? Voor wie werkt die roofbouweconomie? Die pakt vooral goed uit voor de ultrarijken, de rijke één procent, de kapitaalbezitters. En vervolgens ook voor diegenen die helpen om die roofeconomie in stand te houden. De goedbetaalde accountants, juristen, reclamemakers, administratieconsulenten, organisatieadviseurs, projectontwikkelaars, fiscaal adviseurs, enzovoorts. En tot slot misschien ook nog voor ons gewone mensen in het rijke deel van de wereld.
Deze roofeconomie is niet langer houdbaar. We kunnen de aarde niet onbeperkt blijven leegroven. We kunnen de schrijnende armoede, hier en elders, niet eeuwig laten voortbestaan.
Dat kan en dat moet anders. We kunnen de roofbouweconomie omvormen tot een welvaartseconomie. Een economie die voor ons allen werkt en niet vooral voor de ultrarijken met hun privéjets, privéjachten en privé-eilanden.
Want natuurlijk is de wereld niet het eigendom van een kleine groep, heel rijke, mensen. De wereld is van ons allemaal. Een welvaartseconomie die voor ons allemaal werkt, begint daarom met vermogensherverdeling. De ultrarijke elite doet wel alsof we eigendomsverhoudingen niet kunnen veranderen, maar dat is een leugen om hun bezittingen te beschermen.
We kunnen bijvoorbeeld een hoge vermogensbelasting invoeren voor de extreem rijken en een hoge erfbelasting voor extreme erfenissen. De tijd daarvoor lijkt rijp nu zelfs miljardairs pleiten voor hogere belastingen en in ons land zelfs wordt gesproken over belasting voor ons Koninklijk Huis. En wat zou er tegen zijn als we dan meteen ook een maximale grens stellen aan bezit en inkomen? Om het dan compleet te maken kunnen we de gemeenschap ook nog medeaandeelhouder maken van de grote (multi)nationale bedrijven. De winsten van die bedrijven vloeien dan voortaan voor een deel naar ons allemaal.
Basisbaan en -inkomen
We kunnen ook de ‘arbeidsmarkt’ anders organiseren. Werk is dan niet langer iets waarmee een werkgever zoveel mogelijk geld kan verdienen, maar is dan het middel waarmee het maatschappelijk noodzakelijke werk tot stand komt. Iedere Nederlander krijgt dan recht op een basisbaan. Op gegarandeerd drie dagen (als voorbeeld) betaald en zinvol werk. Recht op, want werken is ook een middel om deel te nemen aan de samenleving, om bij te dragen aan de gemeenschap, om je talenten te ontwikkelen, om andere mensen te ontmoeten, enzovoorts.
Het inkomen uit die basisbaan kunnen we desgewenst aanvullen met een gegarandeerd basisinkomen. Daar is genoeg geld voor als we stoppen met het rondpompen van geld in het circus van toeslagen, uitkeringen, inkomenssubsidies en belastingaftrekken. Dat scheelt dan meteen ook heel veel administratie en controle en voorkomt nieuwe toeslagenaffaires.
Naast een gegarandeerd basisinkomen en een basisbaan zijn er in een welvaartseconomie ook gegarandeerde, goede en betaalbare basisvoorzieningen voor iedereen. Dat kunnen we dan betalen uit de opbrengsten van de vermogensbelasting, de erfbelasting en het gemeenschapsaandeel in de aandelenpakketten van de grote multinationals. Goede gegarandeerde zorg, goede betaalbare huisvesting, goed en betaalbaar openbaar vervoer, goed onderwijs, et cetera.
Met een basisbaan en een basisinkomen kunnen we de rest van onze tijd gebruiken voor andere belangrijke levensgebieden. Tijd voor ons gezin, voor onze vrienden, voor het verenigingsleven, voor de zorg voor anderen, vrijwilligerswerk, mantelzorg, tijd om verder te leren en studeren, tijd voor spirituele en persoonlijke ontwikkeling en zo nog wat van die zaken.
Een welvaartseconomie stimuleert zo andere vormen van met elkaar omgaan. Op dit moment is onze samenleving sterk geïndividualiseerd. Dat heeft goede kanten – er is ruimte voor ieders voorkeuren en eigenaardigheden – maar ook minder goede kanten. Te veel eenzaamheid en egoïsme en te weinig samenzijn en zorgen voor elkaar. Echte welvaart bestaat ook uit ook meer ruimte (en tijd) om samen met anderen en voor anderen dingen te doen.
‘Echte welvaart bestaat ook uit meer ruimte om samen met anderen en voor anderen dingen te doen.’
Technische ontwikkeling en meer
Zo’n economie stimuleert ook een andere houding tegenover techniek, natuur en politiek. Technische ontwikkeling maakt het mogelijk om met minder mensen, minder grondstoffen en minder middelen, meer te doen. Tot nu toe bepaalden vooral investeerders en grote techbedrijven de richting waarin de techniek zich ontwikkelde. Dat leidde dan vooral tot hogere winsten voor de kapitaaleigenaren. Ook dat kan anders. We kunnen de technische ontwikkeling ook richten op honderd procent schone industriële productie, circulair en bio-based, met meer tijd voor onze naasten, onszelf en andere nuttige activiteiten als gevolg.
Dat maakt ook een andere omgang met de natuur en met de andere levende wezens mogelijk. We hoeven de aarde dan niet langer leeg te roven en we kunnen dankzij de verdere technische ontwikkelingen weer natuur teruggeven aan de andere levende wezens en stoppen met dierenslavernij. Ook hier lijkt de tijd rijp voor. Overal raken we steeds meer doordrongen van de noodzaak klimaatrampen te voorkomen. We zien initiatieven om de natuur rechten te geven en overheden en burgers komen steeds meer in actie voor een andere houding tegenover natuur en andere levende wezens.
Dat brengt mij bij ander onderwijs: als onderwijs niet meer bedoeld is om zoveel mogelijk winst te kunnen laten maken, kan het meer zich richten op praktische en sociale vaardigheden. Onderwijs kan dan ook levenslang leren worden, waarin we ons allemaal praktisch en sociaal kunnen blijven ontwikkelen.
Brede welvaart
Tot slot maakt een welvaartseconomie ook andere vormen van maatschappelijke sturing mogelijk. Ik denk dan aan flexibele en organische maatschappelijke organisaties gericht op brede welvaart. Soms is centrale sturing van bovenaf heel verstandig. Het is wel handig als we overal dezelfde soort stekkers en dezelfde verkeersregels gebruiken. Maar centrale sturing heeft ook nadelen. We zijn niet allemaal hetzelfde en de beslissers aan de top kunnen niet met alles en iedereen rekening houden.
Een welvaartseconomie stimuleert daarom kleinschalige besluitvorming niet gericht op maximale winst en concurrentie, maar op samenwerking, gelijkwaardigheid en mede-eigenaarschap. Met minder politiek polariserende parlementaire democratie en meer apolitieke burgerberaden. Met meer kleinschalige gemeenschappen, coöperaties en verenigingen. Energiecoöperaties, buurtcomités, schoolverenigingen, gezamenlijke kinderopvangen en andere samenwerkingsverbanden. Zo ontstaat een netwerk van flexibele en organische maatschappelijke organisaties gericht op brede welvaart en nationaal geluk. •
