Waarom we rijker zijn en ons toch armer voelen

Je werkt harder dan je ouders. Je bedrijf produceert meer dan ooit. En toch voelt het alsof je achterop raakt. De huur stijgt. De zorgpremie stijgt. De kinderopvang is vol. Hoe kan dat? Dit artikel legt uit waarom groeiende welvaart en een armer gevoel heel goed samen kunnen bestaan — en wat er mis is met de manier waarop we welvaart meten.

De verdwijntruc van de productiviteitswinst

Stel: een robot vervangt tien magazijnmedewerkers. De productiekosten dalen drastisch. Waar gaat dat geld naartoe?

Een deel gaat naar de aandeelhouders — dat is zichtbaar in de recordwinsten van de grote bedrijven de afgelopen jaren. Een ander deel verdwijnt in de consumptie-industrie die precies weet hoe ze stijgende lonen moet absorberen. Niet via noodzakelijke uitgaven, maar via premium koffieabonnementen, kant-en-klaar maaltijden, citytrips en de nieuwste telefoon. Producten die twintig jaar geleden niet eens bestonden, kosten nu honderden euro’s per jaar — per persoon.

Maar er is nog een derde kanaal, en dat is het meest onderschatte. Veel van wat vroeger collectief werd geregeld — zorg, onderwijs, openbaar vervoer, wonen — is de afgelopen decennia wegbezuinigd of geprivatiseerd. De productiviteitswinst die mensen in theorie ontvingen, moeten ze nu gebruiken om te betalen voor wat de samenleving vroeger voor hen regelde. Per saldo winnen ze weinig.

De diepere oorzaak

Onder dit alles speelt iets wat zelden wordt benoemd.

Onze hele economie is gebouwd op een veronderstelling die stilletjes achterhaald raakt. Loon ontvang je elke maand opnieuw. Energie koop je elke dag opnieuw. Meer productie kost meer mensen, meer uren, meer geld. Economen noemen dit stroomgrootheden — elke eenheid productie kost opnieuw geld.

Maar de nieuwe technologie werkt anders. Een zonnepaneel, een robot, een AI-systeem — kosten ook geld. Maar dat is eenmalig. Na deze eerste investering kost de productie vrijwel niets meer. De zon schijnt immers gratis, de wind waait gratis, de robot werkt voortaan gratis. Economen noemen zo’n investering een voorraadgrootheid. Na de eerste investering is het gebruik vrijwel gratis.

Dat is een fundamenteel andere economische logica. En ons systeem heeft haar nog niet verwerkt.

Belastingen worden geheven op loon — niet op machines. Sociale zekerheid is gekoppeld aan werk — niet aan productie. Prijzen weerspiegelen nog steeds de oude kostenstructuur, ook als de werkelijke kosten allang zijn gedaald.

Een zichzelf versterkend proces

Wat dit extra urgent maakt: de overgang versnelt zichzelf.

Goedkopere energie maakt robots goedkoper om te produceren en te laten draaien. Goedkopere robots bouwen sneller nieuwe energieinfrastructuur. Goedkopere infrastructuur maakt datacenters goedkoper. Goedkopere datacenters maken AI toegankelijker. En betere AI versnelt weer de ontwikkeling van efficiëntere chips, slimmere robots en goedkopere energiesystemen. En zo verder.

Elke stap verlaagt de kosten van de volgende. Niet geleidelijk, maar exponentieel. De economie beweegt van een wereld van stromen — waarin elke eenheid extra productie opnieuw geld kost — naar een wereld van voorraden, waarin de kosten eenmalig zijn en de productie daarna vrijwel gratis.

Waarom vooruitgang aanvoelt als verlies

Hier ligt de kern van de paradox.

Onze instituties — van belastingstelsel tot arbeidsmarkt, van sociale zekerheid tot prijsvorming — zijn ontworpen voor een economie waarin kosten steeds blijven terugkeren. Ze begrijpen eenmalige investeringen niet. Ze zijn ingericht op stroomgrootheden niet op voorraadgrootheden.

In zo’n systeem voelt technologische vooruitgang niet als bevrijding maar als ontregeling. Banen verdwijnen voordat nieuwe zekerheid is georganiseerd. Prijzen dalen in sommige sectoren, maar stijgen in andere die nog steeds op de oude logica draaien. De winst van de productiviteitsgroei komt terecht bij degenen die al bezitten — niet bij degenen die alleen hun arbeid te bieden hebben.

Dat is geen onvermijdelijk gevolg van technologie. Het is een gevolg van institutionele traagheid. Van een systeem dat de werkelijkheid probeert bij te houden maar een generatie achterloopt.

De overvloed is er al. Wat ontbreekt is een systeem om haar breed te laten landen. Maar laten we bij het begin beginnen. Waar komt die productiviteitswinst eigenlijk vandaan? En waarom versnelt hij? Het antwoord zit in een mechanisme dat de meeste economen negeren — en dat al decennia onder hun neus ligt. Lees hoe technologie zichzelf goedkoper maakt, en waarom dat proces niet meer te stoppen is.

Lees hier verder over de economie van overvloed

Peter van der Wel (12025)

PS: Vanuit mijn achtergrond als econoom en toekomstonderzoeker kijk ik naar technische ontwikkelingen in een bredere maatschappelijke context. Vandaar deze economisch-politieke beschouwing over de toekomst van ons economisch systeem.

Ben je het eens met de boodschap van deze blog? Post hem op de socials en/of stuur hem door naar een collega of vriend waarvan je denkt dat ze hem ook interessant zullen vinden!  Kreeg je ’m zelf doorgestuurd?  Abonneer je hier gratis op nieuwe blogs.

PPS: Reacties zijn welkom. Je kunt ze mailen naar mijn mailadres.